Auguste Herbin werd op 29 april 1882 te Quiévy (Noord-Frankrijk) geboren en verhuisde een jaar later naar het in de buurt liggende 'Le Cateau-Cambrésis'. Zijn ouders, Auguste Herbin en Florine Carrin, werkten daar veertien uur per dag in de textielfabriek Michau. Auguste zorgde voor zijn kleinere zus en broer. Op twaalfjarige leeftijd ging Auguste werken bij een deurwaarder. Na een avondopleiding voor technisch tekenaar ging Herbin dankzij een beurs van de gemeente Le Cateau-Cambrésis in 1899 studeren aan l'École des Beaux-Arts te Lille. In juli 1901 stopte hij met de opleiding en verhuisde hij naar Rue du Regard in de Parijse wijk Montparnasse, waar hij zich allereerst aansloot bij de impressionisten en later bij de fauves. In 1902 verkocht Herbin enkele schilderijen aan le Père Soulier, die een schilderij door verkocht aan de kunsthandelaar Wilhelm Uhde. Dankzij een geldelijke bijdrage van zijn oom Jules Carrin kon Herbin zich helemaal toeleggen op het schilderen.
In 1906 werd Herbin voor de eerste keer uitgenodigd om te exposeren op de Salon des Indépendants. Hij liet acht schilderijen zien, die hij gemaakt had in Brugge en La Roche-Guyon. In de lente van 1907 verbleef Herbin op uitnodiging van Uhde op Corsica. Herbin maakte daar vijftien landschappen. Ook bezocht Herbin in 1907 Hamburg. De gemaakte schilderijen waren zeer fauvistisch. In 1907 exposeerde Herbin zowel op de Salon des Indépendants als op de Salon d'Automne. In 1908 exposeerde Herbin volgens de critici zijn eerste kubistisch schilderij op de Salon des Indépendants: Portrait de femme aux cheveaux rouges. Uhde kocht meer schilderijen en bij Uhdes scheiding van Sonia Terk in 1910 had Uhde twintig schilderijen van Herbin. In 1909 verhuisde Herbin naar het ateliergebouw Le Bateau-Lavoir. Zijn atelier lag op dezelfde verdieping als die van Juan Gris en die van Pablo Picasso. Hier leerde Herbin de kubisten beter kennen en vanaf 1910 was in zijn werken duidelijk een kubistische invloed zichtbaar. Zijn kubistische schilderijen werden in 1910 tentoongesteld op de Salon des Indépendants in dezelfde zaal als die van Jean Metzinger, Albert Gleizes en Fernand Léger.
In 1910 had Herbin zijn eerste solotentoonstelling in Parijs bij Galerie Charles-Vildrac (Een andere bron geeft in december 1910 een tentoonstelling van zeven kunstenaars, waaronder Marie Laurencin) . Ook exposeerde Herbin op de Section d'Or tentoonstelling van 1912 en in de galerie van Clovis Sagot. Buiten Parijs nam Herbin o.a. deel aan de tentoonstelling van de Sonderbund in Keulen, de Sezession en Der Sturm in Berlijn. In 1913 hingen op de Armory Show enkele werken van Herbin. De zomer van 1913 bracht Herbin samen met Picasso, Gris en Henri Matisse door in Céret, een plaats in de Pyreneeën. Hij schilderde daar een twintigtal landschappen. Van 2 t/m 17 maart 1914 exposeerde Herbin achtenvijftig schilderijen uit de periode 1907-1913 bij Galerie Moderne waarvan de weduwe van Clovis Sagot de eigenaresse was.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 werd Herbin in oktober opgeroepen. Hij schilderde o.a. camouflages voor het Franse leger en leerde Léonce Rosenberg kennen. In 1916 sloot Herbin met Rosenberg een driejarig contract. Ondanks het wurgcontract bleef Herbin tot 1922 afhankelijk van Rosenberg. De heropening van de Galerie l'Effort Moderne van Rosenberg vond met een tentoonstelling van Herbin op 1 maart 1918 plaats. Tussen 1919 en 1921 breidde Rosenberg zijn verzameling werken van Herbin aanzienlijk uit door het aankopen van tweeënnegentig schilderijen en achtenzestig aquarellen en tekeningen uit de periode 1905-1914. Van 5 t/m 29 november 1919 exposeerde Herbin opnieuw bij Rosenberg. Vanaf 1919 schilderde hij in een geometrische abstracte stijl, die van 1922 tot 1925 onderbroken werd door een meer figuratieve stijl. In 1921 exposeerde Herbin voor de derde keer bij Rosenberg, n.l. van 5 t/m 31 maart 1921.
In 1922 trouwde Herbin met Louise Bailleux (1879-1959), die hij in 1910 in Cateau had ontmoet en vanaf 1911 met hem samenleefde in Le Bateau-Lavoir. Op aandringen van Rosenberg ging Herbin zich ook bezig houden met muurschilderingen, reliefs in hout, het ontwerpen van briefpapier en meubelen. Hij was zeer actief naast het schilderen. Vanaf 1919 tot 1926 schilderde Herbin in heldere kleuren, die de sporen van het kubisme en purisme droegen. De financiële problemen van Rosenberg werden gedeeltelijk opgelost door veilingen bij Mak in Amsterdam in 1925 en 1927 van schilderijen van Herbin. Drieëntwintig werken van Herbin kwamen zo in de collectie van Kröller-Müller terecht. De veilingen brachten Herbin zoveel op dat hij in 1927 een atelier te Parijs aan de Boulevard Masséna op nummer 26 en een woning op nummer 10 kon betrekken. Het huis was ontworpen door Le Corbusier.
Vanaf 1925 ging Herbin experimenteren met meer abstract werk en na 1927 kwam hij tot veel kleurige composities en uiteindelijk tot schilderijen met cirkels en driehoeken.
Zijn abstracte periode werd door Geneviève Claisse ingedeeld in:
Herbin was medeoprichter van de 'Salon des Surindépendants' (november-december 1929), de groep Abstraction-Création (februari 1931) en de 'Salon des Réalités Nouvelles' (1947). In 1936 richtte Herbin een school voor abstracte kunst op. Samen met Georges Valmier en Jean Metzinger maakte Herbin muurschilderingen in de bioscoopzaal van het spoorwegenpaviljoen op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1937. Herbin schilderde de rechtse muur, Valmier de linkse en Metzinger het plafond.
In 1949 publiceerde hij zijn ideeën in 'L'art non-figuratif non-objectif'. Zelfs een eenzijdige verlamming na een beroerte in 1953 bracht hem niet van het schilderen af. Hij leerde met zijn linkerhand schilderen. In 1958 schonk Herbin zesentwintig werken en op 25 mei 1959 een bedrag van 5 miljoen francs aan Le Cateau Cambrésis, de plaats waar Herbin was opgegroeid, om een museum te bouwen. Het werd het latere Musée Matisse, daar Matisse ook in Le Cateau Cambrésis was geboren. Herbin stierf bijna een jaar na de dood van zijn vrouw (april 1959) op 31 januari 1960 te Parijs. De schilderes Geneviève Claisse werkte van april 1959 tot Herbins dood als zijn assistente in zijn atelier. In 1982 werd in het Musée Matisse, gevestigd in het Palais Fénelon te Le Cateau-Cambrésis een aparte zaal gewijd aan Herbin geopend.
Na zijn overlijden was er in 1962 een solotentoonstelling bij de kunsthandel G.J. Nieuwenhuizen Segaar in Den Haag. In 1963 werd in het Stedelijk Museum te Amsterdam de tentoonstelling Herbin 1882-1960 met ruim honderdveertig werken gehouden.
| Tik op nevenstaande knop voor kubistische werken van Herbin. | ![]() |