Marc Chagall (1887-1985).

Marc Chagall

Marc Zakharovich Chagall (ook geschreven Mark Shagal en Mosje Sacharovitsj Segal) werd op 7 juli 1887 als oudste van negen kinderen in een Joods gezin geboren in de Wit-Russische plaats Liosno dicht bij Vitebsk. Zijn vader Sachar Segal, die zijn naam veranderde in Chagall, was arbeider in een haringpakhuis en door zijn moeder, die aan huis een klein kruidenierswinkeltje had, was hij instaat na de joodse lagere school de openbare middelbare school te bezoeken. Marc sprak Russisch, nam viool- en zanglessen en begon te tekenen. In de winter van 1906-1907 verbleef hij met zijn vriend Victor Mekler in St. Petersburg, waar zij de academie van Rerich bezochten.

Terug in Vitebsk bezocht hij de Svansevaschool, waar hij onderricht kreeg van Léon Bakst (1866-1924), een van de woordvoerders voor openstelling naar het Westen. In de herfst van 1910 reisde Chagall Bakst achterna, die eerder dat jaar als medewerker van Sergei Diaghilev naar Parijs was gegaan. Chagall huurde eerst het appartement van de Russische schrijver Ehrenburg. Met een kleine toelage, 125 Francs per maand, van zijn beschermer Max Moisevich Vinaver (ook geschreven Winawer), een vooraanstaand Doemalid, richtte Chagall in de winter van 1911-1912 zijn eerste atelier in het ateliercomplex La Ruche te Montparnasse in. Hij bezocht de galeries, het Louvre en de diverse tentoonstellingen.

Hommage aan Apollinaire, afmetingen 200 x 189,5 cm

Met de kubisten kwam Chagall in aanraking via Robert Delaunay, die getrouwd was met de Russchische kunstenares Sonia Terk. Het kubisme was voor beiden niet het ontleden van een concreet voorwerp, maar een schildertaal waarin de dingen buiten hun functionele aspecten konden worden uitgedrukt. Het kubisme bood Chagall een geometrisch netwerk, waarin een algemene invoelbare beeldlogica kon worden uitgedrukt. Overlappende vlakken, doorschijnende vormen en een radiale compositie, d.w.z van uit het middelpunt opgebouwd, afkomstig uit het kubisme zijn het geometrisch netwerk, waarin b.v. zijn herinneringen en visioenen werden weergegeven. In nevenstaande schilderij Hommage aan Apollinaire uit 1911/1912 komt dit naar voren. Hij nam deel aan de Salon des Indépendants in 1912, 1913 en 1914, de Salon d'Automne in 1912 en de Oslinyy Khvost (=Ezelsstaart) in Moskou in 1912.

Guillaume Apollinaire beschouwde Chagall als het begin van het surrealisme en probeerde steeds weer opnieuw een tentoonstelling voor Chagall te organiseren. In het voorjaar van 1914 lukte het Apollinaire om Herwarth Walden, mentor van het expressionisme en uitgever van het belangrijke Duitse avant-garde tijdschrift 'Der Sturm', over te halen in zijn Berlijnse galerie de eerste solotentoonstelling te houden. Dit zorgde voor de internationale doorbraak van Chagall.

Marc, Bella en Ida Chagall, 1917

Op 13 juni 1914 reisde Chagall met 40 schilderijen en 160 gouaches via een kort verblijf in Berlijn, waar hij een bezoek bracht aan Walden en zijn werken achter liet, naar Rusland terug om het huwelijk van zijn zus bij te wonen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden de grenzen gesloten. Op 25 juli 1915 trouwde Chagall met Bella Rosenfeld (1895-1944), die hij voor zijn vertrek naar Parijs in 1909 had leren kennen. In 1916 werd dochter Idotsjka (Ida) geboren. Om niet voor militaire dienst te worden opgeroepen ging Chagall werken bij zijn zwager Jakov Rosenfeld, op wiens kantoor belangrijke oorlogstaken werden verricht en waar Chagalls arbeid gelijk werd gesteld met dienst aan het front.

Marc in Malachovka, 1921

De Oktoberrevolutie zorgde voor een grote ommekeer. Anatoli Lunatsjarski (ook geschreven: Lunatscharsky en Loenatsjarksi), die in Parijs als journalist had gewerkt voor Russische bladen, werd door Lenin aangesteld als leider van het Ministerie van Cultuur. In september 1918 werd Chagall door deze Parijse kennis benoemd tot Commissaris voor de Beeldende Kunst in Vitebsk. Een van zijn eerste taken was het verbeteren van de kunstacademie van Vitebsk. Onder leiding van Chagall werden beroemde docenten aangetrokken, o.a. El Lissitzky, Kazimir Malevich en Iwan Puni. Na onenigheid met Malevich werd Chagall in 1920 weggewerkt en vestigde hij zich met zijn gezin in Moskou, waar hij in grote armoede leefde. Na enige tijd kon hij als kunstdocent terecht in de kinderkolonies 'De Derde Internationale' en Malachovka in Vitebsk.

Fam Walden voor twee Chagalls in de eetkamer

Uiteindelijk zag Chagall kans om Rusland in 1922 te verlaten. In Berlijn bleek dat Walden al zijn werken had verkocht, maar de opbrengst was door de torenhoge inflatie zeer laag. De familie Chagall reisde in 1923 door naar Parijs, waar de achtergebleven werken uit het atelier waren verdwenen. Chagall maakte dankzij de kunsthandelaar en uitgever Ambroise Vollard, voor wie hij boeken mocht illustreren, een nieuwe start. In 1924 had Chagall zijn eerste overzichtstentoonstelling bij Galerie Barbazanges-Hodeberten te Parijs en in 1926 in New York. Dankzij een contract met kunsthandelaar Bernheim in 1927 had hij geen financiële zorgen en kon hij de zomervakanties in Zuid Frankrijk doorbrengen. In 1937 werd Chagall mede door hulp van de dichter Jean Paulhan Frans staatsburger.

In het voorjaar van 1940 verhuisde het gezin Chagall in verband met de Nazi-Duitsland dreiging naar het Provence plaatsje Gordes. Tijdens een razzia in Marseille werd hij opgepakt, maar tussenkomst van de Amerikaan Varian Fry van het Emergency Rescue Committee, een particuliere organisatie om belangrijke Europese kunstenaars en intellectuelen te redden uit Duitse handen, voorkwam deportatie naar Duitsland. Op 7 mei 1941 passerde de familie Chagall (Marc, Bella, Ida en haar man Michel Gordey) de Spaanse grens op weg naar Amerika waar het schip Lisbon op 23 juni, de dag van de Duitse inval in Rusland, aankwam. De familie Chagall werd in New York verwelkomd door de kunsthandelaar Pierre Matisse, de zoon van Henri Matisse. Chagalls schilderijen werden door André Lhote in veiligheid gebracht. In New York ontmoette hij voor hem bekende kubisten uit het Parijs van voor de Eerste Wereldoorlog, n.l. Fernand Léger en Piet Mondriaan.

Marc, Virginia Haggard, Jean en David, 1951

In New York stierf Chagalls vrouw vrij plotseling op 2 september 1944. Om haar vader, die geen Engels sprak, te verzorgen tijdens haar afwezigheid haalde Ida Virginia Haggard als huishoudster in dienst. Virginia was getrouwd met de Schotse schilder John McNeil en samen hadden zij de in 1940 geboren dochter Jean. Van huishoudster werd zij geliefde en zij trok met Jean in bij Chagall. Op 22 juni 1946 werd zoon David geboren, terwijl Chagall naar Parijs was om een tentoonstelling in het Musée d'Art Moderne voor te bereiden. In augustus 1948 verhuisden Chagall, Virginia, Jean en David naar Frankrijk. Na aankomst met 'De Grasse' in Le Havre vestigden zij zich in Orgeval in het departement Seine-et-Oise. In de lente van 1950 betrokken zij de villa Les Collines in Vence. Begin 1952 werd de scheiding tussen Virginia en John McNeil uitgesproken, maar kwam er ook een verwijdering tussen Virginia en Chagall. Virginia vertrok definitief in maart 1952 en ging samenwonen met de fotograaf Charles Leirens ( -1963) en trouwde hem later.

Ida, Franz Meyer en Chagall, 1952

Dochter Ida, die in januari 1952 getrouwd was met Franz Meyer de directeur van de Bern Kunsthalle, zorgde ervoor dat de veertigjarige Valentina Brodsky bij haar vader als secretaresse in dienst kwam. Na enkele maanden had Valentina, roepnaam Vava, als voorwaarde om te blijven werken voor Chagall: 'trouw met me'. In juni 1952 trouwden Chagall en Vava.

Chagall en Valentina

In 1967 liet Chagall een huis naar zijn eigen wensen bouwen in Saint-Paul-de-Vence waar hij tot zijn dood op 28 maart 1985 bleef wonen. Hij werd daar met een eenvoudige ceremonie, waarbij de Franse minister van Cultuur, Jack Lang, een korte toespraak hield, op het kerkhof begraven.

Chagall ontwierp vele mozaïken, gebrandschilderde ramen, plafond- en muurschilderingen, gobelins en de aankleding van balletten. In 1977 werd in het Louvre een grote retrospectieve tentoonstelling gehouden. Alleen Picasso en Braque waren hem voorgegaan.

Biografieën

Mijn leven, 2002

Tijdens Chagalls verblijf in Moskou in 1921-1922 schreef Chagall in het russisch een autobiografie. Terug in Berlijn maakte hij met Hermann Struck als leermeester etsen voor een boekuitgave van de autobiografie, die bij Paul Cassirer zou uitkomen. Helaas ging de Duitse vertaling niet door en uitsluitend twintig etsen werden in 1923 uitgegeven. Delen van zijn autobiografie werden gepubliceerd in Di Tsukunst (1925), uitgegeven in New York, en Rassvjet (1930), uitgegeven in Parijs. Zijn vrouw Bella vertaalde de autobiografie in het Frans. In 1931 kwam het boek Ma vie uit bij uitgeverij Stock te Parijs. In Nederland is de autobiografie verschenen onder de naam Mijn Leven in 2002.

David McNeil, 2003 Virginia Haggard, 1986

In 2003 verscheen het boek Quelques pas dans les pas d'un ange geschreven door David McNeil over de relatie tussen hem en zijn vader Marc Chagall. Hij trad daarmee in de voetsporen van zijn moeder, die in 1986 het boek My Life with Chagall. Seven Years of Plenty schreef.

Tik op nevenstaande knop voor werken van Chagall.