Marie Laurencin (1883-1956).

Marie Laurencin, herfst 1911 Marie Laurencin, Académie Humbert

Marie Laurencin werd op 31 oktober 1883 geboren en opgevoed door haar ongetrouwde moeder Pauline Laurencin (1861-1913). De naam van haar vader, Alfred Toulet (1839-1905), kreeg zij pas op tweeëntwintigjarige leeftijd te horen. Zij leerde porcelein beschilderen bij de fabriek in Sèvres en studeerde in 1903-1904 aan de Académie Humbert, waar zij o.a. Georges Braque, Francis Picabia, André Favory en Georges Lepape ontmoette. In 1907 werden haar werken tentoongesteld op de Salon des Indépendants en bij Clovis Sagot. Pablo Picasso, die zij ontmoette bij de kunsthandelaar Clovis Sagot, stelde haar voor aan Guillaume Apollinaire. Zij leefde met hem vijf jaar samen in de Rue des Martyrs.

Onder de naam Louise Lalanne publiceerde zij gedichten.

Apollinaire et ses amis, 1909, MNAM Groep van kunstenaars, 1908, BMA

In die tijd trokken Marie en Apollinaire veel op met Picasso en zijn vriendin Fernande Olivier. Marie Laurencin legde in 1908 en in 1909 dat vast in twee schilderijen met de titel 'Apollinaire en zijn vrienden'. Laurencin verkocht haar eerste schilderij onder de titel Groep van kunstenaars aan Gertrude Stein. Het was het eerste schilderij dat zij ooit verkocht had. Gertrude Stein verkocht het schilderij in juni 1925 voor 10.000 FF aan haar vriendinnen Claribel en Etta Cone. Nu is het te zien in de Cone Collectie van het Baltimore Museum of Art.

La poétesse Marguerite Gillot; 812 x 647 mm

Het schilderij uit 1909, dat ook bekend is onder de titel Réunion à la campagne, laat van links naar rechts Gertrude Stein, Fernande Olivier, denkelijk de dichteres Marguerite Gillot, Apollinaire, Picasso, misschien Pauline Laurencine (de moeder van Marie), Maurice Cremnitz en Marie (rechtsvoor) zien. De schrijfster Julia Fagen King vermoedde, dat de drie personen links de drie gratiën moesten voorstellen. Bij Stein en Olivier zat volgens haar Marguerite Gillot, de vriendin van Paul Fort. Maurice Cremnitz (1875-1935) was een bevriende dichter en kunstcriticus, die ook bekend werd onder de naam Maurice Chevrier. Het schilderij is nu te zien in het Musée national d'art moderne te Parijs. In 1912 zou Laurencin het nevenstaande schilderij La poétesse Marguerite Gillot maken. Het schilderij werd op 3 februari 2004 ruim boven de verwachte maximumwaarde geveild bij Christie's te Londen voor £ 262.850 inclusief veilingkosten.

In december 1910 exposeerde Laurencin samen met zes andere kunstenaars, onder wie Auguste Herbin, enkele werken bij Galerie Vildrac. Via Henri-Pierre Roché, die zij al vanaf 1905 kende, kwam Laurencin in contact met Nicole Groult, de zus van de couturier Paul Poiret en de man van de decorateur André Groult, en de kunsthandelaren Jos Hessel en Wilhelm Uhde. Na een solotentoonstelling bij Uhde in zijn pas geopende galerie kocht Uhde het schilderij Les Jeunes Filles. In 1914 verkocht Uhde het schilderij aan Rolf de Maré voor 4000 Francs. Het schilderij zorgde binnen een week voor haar bekendheid en werd in 1966 door de Maré geschonken aan Moderna Museet te Stockholm. Ook sloot zij binnen veertien dagen een contract met Paul Rosenberg.

Portret, 1913

Ondanks dat zij geen kubistische werken maakte hing haar werk wel bij de kubisten die deel namen aan de Salon des Indépendants van 1911. In zaal 41 hingen twee schilderijen van haar, n.l. Portret van mejuffrouw Fernande X en Jonge meisjes met de kubisten. Ook in 1912 hing haar werk bij de kubisten op de Salon d'Automne in La Maison Cubiste. De kunsthandelaren Paul Rosenberg en Jos Hessel sloten ieder voor de helft een contract met Laurencin na haar succes op deze Salon d'Automne. Van 28 februari t/m 13 maart 1912 hingen werken van Laurencin, waaronder het hoger op de webpagina staande La poétesse Marguerite Gillot, en Robert en Sonia Delaunay op de gemeenschappelijke tentoonstelling in Galerie Barbazanges te Parijs. Het voorwoord in de catalogus werd geschreven door Fernand Fleuret. Het schilderij La poétesse Marguerite Gillot was ook te zien op de Armory Show in New York, Chicago en Boston in 1913.

Marie Laurencin en Gabrielle Buffet, 25/26-12-1916 Otto von Wätjen, juni 1914

In juni 1912 kwam er een breuk tussen Laurencin en Apollinaire. Op 22 juni 1914 trouwde Marie Laurencin met de Duitse schilder Baron Otto von Wätjen (1881-1942) en kreeg zij de Duitse nationaliteit. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtten Marie en Otto naar Spanje, waar zij tot 1919 bleven. Laurencins vooroorlogse werk werd geconfisqueerd en na de oorlog verkocht. In Spanje ontmoette zij oude bekenden uit Parijs, n.l. Sonia en Robert Delaunay en Francis Picabia en zijn vrouw Gabrielle Buffet. (Met haar staat Marie op de nevenstaande foto gemaakt op 25 of 26 december 1916 te Barcelona.) In maart 1916 woonde Marie in de Carrer de Diputació te Barcelona en kreeg daar vaak bezoek van haar Parijse vriendin Nicole Groult.

Tijdens de oorlog kwam Marie in Madrid in aanraking met het dadaisme. Zij werkte met enkele gedichten mee aan het tijdschrift 391 van Francis Picabia. Na een verblijf in Zwitserland en daarna van een jaar in Düsseldorf scheidde het paar, daar Otto een alcoholverslaving had, en kwam Marie in 1920 alleen naar Parijs terug. Later kwam Otto ook naar Parijs terug en werd hij vaak door Marie financieel geholpen.

Les Biches, 1924

Na de Eerste Wereldoorlog legde zij zich toe op ontwerpen voor het theater en boek illustraties. In de herfst van 1923 ontwierp zij het decor, de kostuums en het nevenstaande voordoek voor het ballet 'Les Biches' van het Russische Ballet van Serge Diaghilew. Op 6 januari 1924 was de premiere in Monte Carlo, op 25 mei 1925 in Londen en in 1926 in Berlijn. Ook ontwierp zij het decor en de kostuums voor het ballet Les Roses van Henri Sauguet voor Comte Etienne de Beaumont, dat opgevoerd werd tijdens Les Soirées de Paris in het Théâter de la Cigale te Parijs. In 1925 werkte zij mee aan de Chambre de Madame van de ontwerper André Groult op de Exposition International des Arts Décoratifs.

Behalve schilderen maakte Laurencin vele boekillustraties, etsen, litho's, decoraties en posters. In de periode 1920-1937 maakte Larencin haar beste schilderijen. Vooral de kunsthandelaar Paul Rosenberg heeft bijgedragen aan haar bekendheid. Verder gaf zij denkelijk enige tijd les op de Académie d'Art Moderne en van 1923 tot 1935 aan de door Jean-Emile Laboureur opgerichte Académie du 16e in Villa Malakoff, Avenue Malakoff 30 te Parijs. De graveur Jean-Emile Laboureur had zij in 1912 leren kennen en trok enige tijd met hem op. In 1921 nam zij van hem een appartement, die gedecoreerd was door André Groult, in de Rue de Penthièvre 19 over nadat zij gescheiden was van Wätjen. In 1930 werd zij landelijk bekend door een foto van haar samen met de dichteres Anna de Noailles (1876-1933) en de schrijfster Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) in het tijdschrift Vu onder de kop 'de drie meest beroemde vrouwen in Frankrijk'.

Tapijt, 1925, afm.: 325 x 350 cm

Laurencin maakte ook ontwerpen voor tapijten. Hiernaast is een handgeknoopt wollen tapijt uit 1925 te zien, dat gemaakt werd voor de directeur van een Parijse muzieksalon. In 1944 werd haar appartement in de Rue Savorgnan de Brazza door de Duitsers gevorderd. Dankzij Etienne de Beaumont kreeg zij onderdak in een bijgebouwtje van zijn huis in de Rue Masseran 11 te Parijs. Pas in 1955 kreeg zij het appartement na een proces terug. Op 2 juni 1954 adopteerde Laurencien officieel Suzanne Moreau, die in 1905 geboren was en al vanaf 1925 voor haar werkte en met haar samenwoonde. Laurencin overleed op 8 juni 1956. Zij werd begraven op de begraafplaats Père-Lachaise te Parijs. Suzanne Moreau erfde een groot deel van haar bezit. Laurencins uitgebreide bibliotheek werd in Hôtel Drouot te Parijs geveild voor het werk van de Association de Villepinte, een sanatorium voor lijders aan tuberculose. Na de dood van Suzanne Moreau-Laurencin op 13 december 1976 werd de nalatenschap geveild in Hôtel Drouot ten bate van de Association des Orphelins Apprentis d'Auteuil. In 1950 had Laurencin bij testament laten vastleggen, dat voor 2000 geen privéaken mochten worden gepubliceerd.

Musée Marie Laurencin, Japan

Museum

In juli 1983 werd in de Japanse plaats Tateshina-Chino, ongeveer 200 km NW van Tokio, het Musée Marie Laurencin geopend door de oprichter Masahiro Takano, die een twaalftal schilderijen van Laurencin bezat. In 1989 werd het museum uitgebreid met een beeldentuin. Samen met een hotel wordt het complex nu Artland genoemd. Het museum bezit meer dan 500 werken van Laurencin, die voor een deel worden tentoongesteld en voor een deel uitgeleend voor exposities.

tentoonstelling, 2013

Tentoonstelling

Van 21 februari t/m 30 juni 2013 wordt in het Musée Marmottan Monet in Parijs de tentoonstelling Marie Laurencin gehouden. Te zien zijn 72 schilderijen en 20 aquarellen uit de periode 1905-1935. Zie voor verdere informatie de website van het museum.


Boek, 2003

Bronnen en verdere informatie

  • In februari 2003 verscheen in het Engels het boek Marie Laurencin: Une Femme Inadaptée in Feminist Histories of Art geschreven door Elizabeth Louise Kahn. (ISBN: 978-0-7546-0715-1). Via internet kunt u een indruk krijgen van het boek.

  • De Franstalige website Marie Laurencin 1883 - 1956.

Laatste wijziging: 020513