Henri-Emile-Benoît Matisse werd op 31 december 1869 in Le Cateau-Cambrésis (Noord-Frankrijk) geboren. Hij was de zoon van een drogist en grutter. Zijn moeder schilderde. Om de tijd te doden tijdens de herstelperiode van een blindedarmontsteking in 1890 ging hij tekenen. In de winter van 1891-1892 vestigde hij zich in Parijs waar hij rechten had gestudeerd. Na avondlessen aan de Ecole des Arts Décoratifs en een korte tijd de Académie Julian gevolgd te hebben, volgde hij tussen 1895 en 1898 de École des Beaux-Arts te Parijs en kreeg hij een klassieke opleiding. Daarna volgde hij de lessen aan de Académie Carrière, waar hij o.a. André Derain ontmoette. Via het impressionisme en onder invloed van Cézanne kwam hij tot krachtige tekeningen met grote kleurvlakken. Hij kocht zelfs in zes termijnen in 1899 voor 1450 francs het schilderij Drie Baders van Cézanne bij de kunsthandelaar Ambroise Vollard. In 1938 schonk hij dit schilderij, dat hem 'moreel steunde op de kritieke ogenblikken van zijn schildersloopbaan en waaruit hij vertrouwen en volharding putte', aan het Musée de la Ville Paris.
In 1899 ontmoette hij André Derain, die hem in 1901 in contact bracht met Maurice de Vlaminck. In hetzelfde jaar had Matisse zijn eerste expositie in de Salon des Indépendants en in 1903 in de Salon d'Automne. Zijn eerste solotentoonstelling met 45 schilderijen en 1 tekening had Matisse denkelijk van 1 t/m 18 juni 1904 bij Ambroise Vollard onder de naam Oeuvre du peintre Henri Matisse 1897-1903. Matisse zorgde zelf voor het ophangen van de schilderijen en het voorwoord in de catalogus werd geschreven door Roger Marx.
De zomer van 1905 bracht Matisse samen met Derain in Collioure door. Henri Matisse werd de leider van een groep schilders die in opstand kwamen tegen het impressionisme. Op de Salon d'Automne van 1905 kregen zij de naam 'les fauves'. Het fauvisme was geboren. In zijn fauvistische periode van 1905 tot 1908 was kleur een uitdrukkingsmiddel. Het decoratieve element werd steeds belangrijker. Rond 1907 sloot o.a. Georges Braque zich aan bij het fauvisme. Op 24 april 1906 kocht de kunsthandelaar Vollard voor 2200 Francs 20 schilderijen en studies van Matisse.
In 1906 ontmoette Matisse Pablo Picasso, waarmee hij heel zijn leven een liefde-haat verhouding had, en in mei 1906 de Russische verzamelaar Sergei Sjtsjoekin. Zijn vriendschap met de Amerikaanse familie Stein, Gertrude, Leo, Michael en Sarah zorgde voor een financieel inkomen. Begin december 1907 verhuisde Matisse naar een studio in de Convent des Oiseaux. Max Weber en de Duitser Hans Purrmann vroegen aan Matisse een schilderklas op te richten. Nadat zij voldoende studenten hadden verzameld startte Matisse zijn academie in de Rue de Sèvres in januari 1908. Behalve Max Weber waren ook Sarah Stein, Hans Purrmann, Patrick Henry Bruce, twee Hongaren, nog twee Duitsers en de Zweed Carl Palme de eerste leerlingen van de Académie Matisse. Ook Morgan Russell volgde spoedig de lessen in schilderen, tekenen en beeldhouwen. Via Sjtsjoekin leerde Matisse op 24 januari 1908 een andere belangrijke Russische kunstverzamelaar kennen, n.l. Morosov. In de zomer van 1911 sloot de Académie Matisse de deuren o.a. door de groei van de academie waardoor Matisse niet voldoende aandacht aan elke leerling kon schenken en zijn verhuizing naar Issy-les-Moulineaux, een voorstad van Parijs.
In de daarop volgende jaren maakte Matise vele reizen, o.a. naar Marokko (1911 en 1913), Duitsland en Moskou (eind oktober tot 6 november 1911). In 1918 had Matisse samen met Picasso een tentoonstelling in Galerie Paul Guillaume. In 1919 reisde Matisse naar Londen om het decor van Le chant du Rossignol, dat opgevoerd werd door het Ballets Russes onder leiding van Diaghilev, te ontwerpen.
Vanaf 1919 had Matisse een internationale bekendheid. Op 16 juli 1936 tekende Matisse een driejarig contract met de kunsthandelaar Paul Rosenberg. Rosenberg zou Matisse o.a. 30.00 Francs betalen voor het type 50, d.w.z. een schilderij van 116 bij 89 cm. Na het begin van de Tweede Wereldoorlog huurde Rosenberg een villa in Floirac (bij Bordeaux) en reisde hij vele keren naar Matisse in Nice om schilderijen op te halen. Op 20 mei 1940 reisde Matisse met zijn model Lydia Delectorskaïa vanuit Parijs naar Floirac om de oorlogshandelingen om Parijs te ontlopen. Daar er geen plaats was, reisde Matisse na een overnachting bij Rosenbergs zwager Yvon Helft door naar Saint-Jean-de-Luz, waar hij tot eind juni bleef.
Na een zware operatie in 1941 te Lyon was Matisse niet meer in staat om langer dan twee uur uit bed te zijn. Schilderen ging praktisch niet meer, maar Matisse ontwikkelde een nieuwe vorm. Uit egaal geschilderde vellen papier knipte hij figuren, die op grote witte doeken, die op de wanden van zijn kamer waren gespannen, werden gespeld. Zijn laatste grote werk was het ontwerpen van de glasmozaïken en het aanbrengen van muurschilderen in de kapel Notre-Dame du Rosaire te Vence van 1949 tot 1951. Op 3 november 1954 overleed Matisse in Nice en hij werd begraven in de buitenwijk Cimiez.
In 1956 werd in het Musée National d'Art Moderne te Parijs een overzichtstentoonstelling van zijn vele werken gehouden. Zowel in Cateau als in Cimiez is een museum gewijd aan Matisse.