Max Weber werd geboren op 18 april 1881 in de textielstad Bialystok (Toen Rusland, nu Polen; ongeveer 200 km NO van Warchau), en kwam op 10 jarige leeftijd met zijn moeder, Julia Weber-Getz, naar New York. Zijn vader Morris Weber, die kleermaker was, ging vier jaar eerder vooruit. Hij bezocht scholen in New York en werd na een toelatingsexamen toegelaten op het Pratt Institute voor een opleiding tot tekenleraar. In 1900 behaalde Weber zijn diploma en hij gaf van 1901-1903 tekenles op een openbare school in Lynchburg (Viginia) en van 1903-1905 op het State Teachers College in Duluth (Minnesota). Voor zijn schildersontwikkeling ging hij net zoals vele andere Amerikaanse kunstenaars naar Europa. Vooral Parijs, München en Londen waren in trek. Op 16 september 1905 ging hij aan boord van het stoomschip Krumland. Weber kwam op 25 september aan in Parijs.
In Parijs volgde Weber ongeveer vier maanden lessen bij Jean-Paul Laurens op de Académie Julian (1905-1906), de Académie Colarossi (1906-1907) in de Rue de la Grande-Chaumière. Hij werd een grote bewonderaar van Cézanne en Henri Matisse. Ook bezocht hij de salon van de moeder van de schilder Robert Delaunay, waar hij de schilders Jean Metzinger en Henri Rousseau ontmoette. Matisse introduceerde Weber bij de Amerikanen Leo en Gertrude Stein, die op zaterdagavond vele kunstenaars, critici en dichters ontvingen. In oktober 1908 ontmoette Weber daar o.a. Pablo Picasso. Via Weber bezocht Picasso het atelier van Henri 'Le Douanier' Rousseau, waar op dat moment Guillaume Apollinaire aan het poseren was voor een portret. Weber stelde zijn werken tentoon tijdens de Salon des Indépendants (1907) en de Salon d'Automne (1906, 1907 en 1908). In 1907 hielp hij o.a. met Patrick Henry Bruce en Sarah Stein, de zus van Leo en Gertrude, de organisatie van de lessen bij de Académie Matisse. Weber bezocht tijdens de zomer van 1906 Spanje, in 1907 Italië en in 1908 België en Nederland.
In 1908 was Weber betrokken bij de oprichting van de New Society of American Artists in Paris in het atelier van de schilder en fotograaf Edward Steichen in Montparnasse. Steichen, Weber en Alfred Maurer waren de bestuursleden en onder de leden was o.a. Patrick Henry Bruce. Op 21 december 1908 verliet Weber Parijs. Twee dagen eerder werd door Henri Rousseau voor Weber een afscheidsdiner georganiseerd in de Académie de dessin peinture et musique. Tijdens dit banket waren ook aanwezig Pablo Picasso en zijn vriendin Fernande Olivier, Apollinaire en zijn vriendin Marie Laurencin. (Denkelijk heeft Temple Scott voor zijn novel The Faubourg Saint-Honoré met als ondertitel A study of a Post-Impressionist artist Max Webers Parijse tijd als voorbeeld gebruikt voor de hoofdpersoon Michael Weaver.)
Op 9 januari 1909 kwam Weber met het stoomschip Oceanic in New York terug. Naast enig eigen werk had Weber bij zich een klein schilderij van Matisse en het schilderij Stilleven van Picasso uit 1908 en zeven werken van Rousseau. Bovendien bracht Weber een aantal reproducties mee van schilderijen van Cézanne, die later door zijn dochter Joy geschonken werden aan het Museum of Modern Art te New York. Weber was een van de eersten die de moderne kunst uit Parijs naar de Verenigde Staten bracht. Zijn kubistische werken na terugkeer in New York werden door de critici verworpen maar door kunstenaars werd Weber door zijn omgang met Parijse kunstenaars als bron van inspiratie gebruikt. Van 22 april t/m 8 mei 1909 had Weber zijn eerste persoonlijke expositie bij de Haas Gallery. Twee van de getoonde werken werden voor $ 170 gekocht door de schilder Arthur B. Davies, een van de organisatoren van de Armory Show in 1913. Werken van Weber hingen op de expositie Younger American Painters die gehouden werd van 9 t/m 21 maart 1910 in Stieglitzs galerie '291'. Het was de eerste tentoonstelling waar de moderne Amerikaanse kunstenaars hun werken konden laten zien.
Tijdens de zomer van 1910 bezocht Weber de fotograaf Alfred Stieglitz te Deal Beach, New Jersey, om de dochter van Stieglitz, Kitty, tekenlessen te geven. Van 11 tot 31 januari 1911 werd er bij Stieglitzs Gallery 291 een expositie van Webers werken gehouden. Weber gaf Stieglitz inzicht in de kunstontwikkelingen in Europa. Voor het juli nummer van Stieglitzs tijdschrift Camera Work schreef Weber in 1910 een artikel over de theoretische achtergronden van het kubisme met de titel The Fourth Dimension from a Plastic Point of View. Denkelijk mede door Weber hield Stieglitz van 28 maart t/m 25 april 1911 de eerste expositie van Picasso's tekeningen en aquarellen. In januari 1911 had Weber een solo-expositie in Stieglitzs galerie 291. Door oneinigheid over de prijs die Weber voor zijn werken vroeg brak Weber voorgoed met Stieglitz.
Van 12 t/m 24 februari 1912 had Weber een expositie bij Murray Hill Gallery te New York, waarvan hiernaast drie foto's van Clarence H. White worden getoond. Van 1914 tot 1918 doceerde Weber kunstgeschiedenis aan de School voor Fotografie in New York. Tussen 1913 en 1915 schilderde Weber zijn meest kubistische werken. Onderwerpen waren hoofdzakelijk gebouwen. Na zijn huwelijk met Frances Abrams (27 juni 1916) werden het hoofdzakelijk portretten. Zij kregen in 1923 een zoon, Maynard Jay, en in 1927 een dochter, Joy Sarah.
In 1914 kwam bij Elkin Mathews te Londen van Max Weber Cubist Poems uit. Deze publicatie werd mede mogelijk gemaakt door de Photo-Secession fotograaf Alvin Langdon Coburn, die in 1912 vanuit New York naar Engeland terugkeerde. Ook introduceerde Coburn Webers werken bij Roger Fry, waardoor Weber de enige Amerikaanse kunstenaar was die deel kon nemen aan de tentoonstelling van de Engelse Post-Impressionisten, de z.g. Grafton Group, in de Alpine Gallery te Londen in 1913.
De kubistische werken van 1917 tot 1919 hadden een meer decoratieve stijl, die overeen kwam met de werken van Picasso en Braque. Na 1920 ontwikkelde Weber een meer realistische conservatieve stijl. Dankzij de financiële ondersteuning van mevrouw Nathan J. Miller waren de twintiger jaren stabiel. In 1929 verhuisde de familie Weber naar Great Neck, Long Island, waar een huis met atelier was gebouwd. Daar leefde Weber zeer regelmatig. Om zes uur 's morgens stond hij op om om zeven uur te gaan schilderen tot ongeveer vijf uur 's middags. Na het diner las Weber, deed zijn correspondentie en schreef hij zijn vele artikelen. Zijn weinige vrienden, o.a. de beeldhouwer William Zorach, zag hij eens in de week in het Metropolitan Museum of Art. Uitsluitend in 1932 maakte Weber een korte buitenlandse reis naar Mexico.
Tijdens zijn leven werden er diverse retrospectieve tentoonstellingen gehouden: Galérie Bernheim-Jeune te Parijs (1924), Museum of Modern Art (1930), The Whitney Museum of American Art(1949), The Jewisch Museum (1956), The Rose Gallery van de Brandels University (1957) en The Newark Museum (1959). Max Weber, die op 4 oktober 1961 in Great Neck (Long Island), waar hij vanaf 1929 woonde, stierf, schreef in 1958 zijn niet uitgegeven memoires neer in The Reminiscences of Max Weber.
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Weber. | ![]() |