José Diego María Rivera werd op 13 december 1886 gelijk met zijn tweeling broer José Carlos María, die na 18 maanden stierf, in Guanajuato te Mexico geboren. Zijn ouders, Diego Rivera en María del Pilar Barrientos waren onderwijzers. In 1892 verhuisde de familie naar Mexico City in verband met de politieke vijandschap ten opzichte van Diego's vader die zijn ideeën vastlegde in het nieuwsblad El democrata. Vanaf 1896 volgde Rivera 's avonds kunstlessen op de San Carlos Academie en in de periode 1898-1905 de dagopleiding aan de klassieke kunstopleiding aan deze academie. In 1904 schilderde Rivera o.a. het verder op deze webpagina staande schilderij De aarde. Dankzij een financiële ondersteuning van de gouverneur van Veracruz, Teodoro A. Dehesa, en de verkoop van enkele werken tijdens een door Gerardo Murillo, die ook in Europa was geweest, georganiseerde tentoonstelling was Diego Rivera in staat Europa te bezoeken.
Op 6 januari 1907 kwam Rivera met het schip Alfonso XIII aan in Santander, Noord-Spanje. Tijdens zijn verblijf in Madrid bestudeerde hij in het Prado de grote Spaanse meesters Goya, El Gredo, Velázquez en de Vlaamse meesters. In Madrid ontmoette Rivera Maria Gutiérrez Blanchard, die samen met hem studeerde bij Eduardo Chicharro y Agüera.
In maart 1909 ging Rivera naar Parijs, waar hij de museumcollecties bestudeerde en tentoonstellingen bezocht. Tijdens een reis naar België in de zomer van 1909 kwam Rivera in Brussel opnieuw Maria Blanchard tegen, die in gezelschap was van de Russische kunstenares Angeline Beloff. Samen gingen zij naar Brugge, waar zij de Mexicaanse schilder Enrique Friedmann ontmoetten De groep schilderde in Brugge. Daarna gingen Rivera, Beloff, Friedmann en de Pool Vladislava voor een maand naar Londen, terwijl Blanchard terugkeerde naar Parijs. Na een kort verblijf in Brugge keerde Rivera in november terug naar Parijs. Samen met Blanchard had Rivera een atelier in de Rue Campagne Première. In september 1910 ging Rivera via Engeland naar Mexico om zijn financiële ondersteuning zeker te stellen. Hij kwam op 2 oktober 1910 aan in Veracruz, waar de festiviteiten voor de honderdjarige onafhankelijkheid van Spanje vanaf 15 september gedurende een maand werden gehouden. Op 20 november 1910 had Rivera een tentoonstelling in de galerie van de academie van San Carlos, die geopend werd door de vrouw van de Mexicaanse president, Carmen Romero Rubio de Diaz. Oorspronkelijk zou de president de opening verrichten, maar op de dag van de opening brak de Mexicaanse Revolutie in alle hevigheid uit. De president Porfirio Diaz had het te druk wegens het binnenvallen van een groep gewapende mannen vanuit de V.S., die werd geleid door Francisco I. Madero. Daar Rivera tot het kamp van de president werd gerekend, vond Rivera het beter om in juni 1911 terug naar Parijs te gaan.
Volgens een mededeling van Beloff zouden Rivera en Beloff in juni 1911 in Dieppe getrouwd zijn. Beloff woonde op de Avenue du Maine 52, waar ook Piet Mondriaan enige tijd woonde. Na de Salon d'Automne maakte Rivera met Berloff een reis naar Barcelona en Montserrat. Terug in Parijs ontmoette Rivera in Montparnasse André Derain, André Lhote, Juan Gris, Gino Severini, Carlo Carrà, Guillaume Apollinaire en Pablo Picasso. De Chileense schilder Manuel Ortiz de Zárate regelde dat Rivera samen met Foujita en Kawashima later het atelier van Picasso konden bezoeken.
In de zomer van 1912 bezocht Rivera Toledo en huurde hij samen met Beloff en Angel Zárraga een huis. Daar schilderde hij o.a. nevenstaande 'Gezicht op Toledo'. Dit schilderij heeft enkele kubistische trekjes. Terug in Parijs in de herfst vestigde het echtpaar Rivera zich in de Rue du Départ 26 in de wijk Montparnasse. In dit gebouw woonden ook de Nederlanders Piet Mondriaan, Conrad Kickert en Lodewijk Schelfhout. Volgens zijn memoires bespraken Rivera en Mondriaan hun kunstzinnige ideeën.
In 1913 woonde Rivera enige tijd in het ateliergebouw La Ruche. Hier maakte hij opnieuw kennis met het kubisme. Rivera nam van 13 t/m 25 januari 1913 deel aan de vierde groepstentoonstelling van Groupe Libre bij Galerie Bernheim-Jeune en in de herfst van 1913 aan de Salon d'Automne. In 1914 had hij van 21 april t/m 6 mei een tentoonstelling van 25 werken uit de periode 1913-1914 bij Galerie Berthe Weill. De verkoop van werken gaf hem de mogelijkheid om in juli 1914 samen met Jacques Lipchitz en Maria Blanchard naar Mallorca te gaan. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd het verblijf op Mallorca verlengd en na enkele dagen in Barcelona gingen Rivera en Beloff door naar Madrid. Hier troffen zij vele bekenden, o.a. Robert en Sonia Delaunay en Marie Laurencin. De schrijver Ramón Gómez de la Serna (1888-1963) organiseerde in Madrid in maart 1915 de tentoonstelling Los pintores íntegros voor Rivera en Blanchard met enkele gipsen beelden van Lipchitz. De tentoonstelling bracht het kubisme naar Madrid, maar de tentoonstelling werd spoedig gesloten.
Teruggekeerd in Parijs (zomer 1915) behoorde hij tot de groep kubistische schilders Gino Severini, André Lhote, Juan Gris, Jean Metzinger en Jacques Lipchitz. Op 11 augustus 1916 beviel Beloff in het ziekenhuis Notre-Dame de Bonsecours van Rivera's zoon Diego. In 1916 nam hij deel aan de tentoonstelling Post-Impressionist and Cubist art bij Marius de Zaya's Modern Gallery te New York en in oktober 1916 de Exhibition of Paintings bij Diego M. Rivera and Mexican Pre-Conquest Art. De kunsthandelaar Léonce Rosenberg sloot met hem een tweejarig contract. Door het artikel Sur le Cubisme in het tijdschrift Nord-Sud van 15 maart 1917 van de kunstcriticus Pierre Reverdy, die wegens het vrijwillig in militaire dienst gaan van Guillaume Apollinaire de rol van theoreticus van het kubisme had overgenomen, en een handgemeen tijdens een verzoeningspoging verbrak Rivera alle banden met het kubisme in maart 1917. Hiermee kwam een eind aan een productie van ongeveer 200 kubistische werken.
In april 1917 verliet Rivera zijn vrouw Beloff en leefde hij ongeveer zes maanden met de Russische kunstenares Marevna Vorobëv-Stebelska. Na de breuk met Marevna keerde hij terug naar Beloff. Rivera ging opnieuw de werken van Cézanne, Renoir en de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilders intensief bestuderen. In de herfst van 1918 werd Rivera's zoon getroffen door de Spaanse griep en overleed. Hij werd begraven op de Parijse begraafplaats Père Lachaise. De zomer van 1919 bracht Rivera door in het zomerhuis van Élie Faure, daar er opnieuw huwelijksproblemen waren door een nieuwe affaire. Op 13 november 1919 werd bij Marevna Diego's dochter Marika geboren.
Dankzij de bemiddeling van de Mexicaanse ambassadeur in Parijs, Alberto J. Pani, kreeg Rivera een toelage van de Mexico City University om Italië te bezoeken. Van februari 1920 tot maart 1921 bestudeerde hij de Italiaanse kunst. Vooral de fresco's hadden zijn belangstelling. Hierna keerde hij via Parijs en de haven van Saint-Nazaire terug naar Mexico. Zijn vrouw Angeline Beloff bleef achter in Frankrijk.
In Mexico was ondertussen de aanzet gegeven om via muurschilderingen in openbare gebouwen de bevolking te ontwikkelen. Daar dit aansloot bij zijn ideeën maakte Rivera vanaf januari 1922 vele muurschilderingen. Hiernaast staat 'Het feest van de maïs'. In juni 1922 trouwde Rivera met Guadalupe Marin. In augustus 1924 werd dochter Lupe geboren. In juli 1926 verliet Rivera zijn in verwachting zijnde vrouw Guadalupe Marin. In 1927 viel Rivera van een bouwsteiger in Chapingo bij het maken van een muurschildering. Hij was hierdoor drie maanden uitgeschakeld. In 1927 werd ook zijn dochter Ruth geboren. In september 1927 begon Rivera een reis van 8 maanden naar de Sovjet Unie. Hij maakte deel uit van een officiële delegatie, die het tienjarig jubileum van de Oktoberrevolutie zou bijwonen. Daar ontmoette Rivera Alfred H. Barr Jr., de directeur van het Museum of Modern Art in New York. Zij werden vrienden.
Terug in Mexico ontmoette Rivera Frida Kahlo (1908-1954), waar hij op 21 augustus 1929 in Coyoacán mee trouwde. Via de Amerikaanse ambassadeur in Mexico, Dwight W. Morrow, kreeg Rivera vanaf 1930 ook opdrachten in de V.S. Hij maakte muurschilderingen in San Francisco, New York en Detroit. Vanaf 23 december 1931 t/m 27 januari 1932 werd een expositie van o.a. 56 schilderijen en muurschilderingen, waarvoor speciaal acht verplaatsbare frames waren gemaakt, gehouden in het Museum of Modern Art. Er kwamen 57.000 bezoekers.
In december 1933 keerden Rivera en Kahlo terug naar Mexico waar zij gingen wonen in een voor hen gebouwd huis ontworpen door de architect en schilder Juan O'Gorman in de Mexico City's wijk San Angel.
Tussen 1937 en 1942 maakte Rivera geen muurschilderingen in Mexico. In deze periode maakte Rivera vele portretten. In januari 1939 reisde Kahlo van New York naar Parijs. Zij kreeg daar een nierontsteking en werd opgenomen in een ziekenhuis. Na het ontslag werd zij in huis genomen door Marcel Duchamp en Mary Reynolds. Aan het einde van 1939 scheidden Rivera en Kahlo, maar zij bleven elkaar wel zien. Op 8 december 1940 trouwden zij weer met elkaar. Kahlo overleed op 13 juli 1954. Rivera trouwde op 29 juli 1955 met Emma Hurtado, zijn dealer sinds 1946.
Op 24 november 1957 stierf Rivera aan een hartinfarct. Rivera werd bijgezet in de Rotunda de los Hombres Ilustres van het Pantheon de Deolores te Mexico City. Zijn huis in San Angel Inn, zuidelijk van Mexico City, werd het Museo Estudio Diego Rivera.
In 1949 werd door het Instituto Nacional de Bellas Artes in het Palacio de Bellas Artes te Mexico City de tentoonstelling Diego Rivera 50 años de su labor artística gehouden. Onder de getoonde kunstwerken waren 36 kubistische werken uit de periode 1913-1916.
In 1986-1987 was er een grote retrospectieve tentoonstelling in het Detroit Institute of Arts (10 februari - 27 april 1986), het Philadelphia Museum of Art (2 juni - 10 augustus 1986), het Museo del Palacio de Bellas Artes te Mexico (29 september 1986 - 4 januari 1987), Het Salas Pablo Ruiz Picasso te Madrid (17 februari - 26 april 1987) en de Staatliche Kunsthalle Berlin te Berlijn (zomer 1987).
Van 4 april t/m 25 juli 2004 werd in de National Gallery of Art te Washington de expositie The Cubist Paintings of Diego Rivera Memory, Politics, Place gehouden. Hier waren 20 werken van Rivera te zien, die via de webpagina http://www.nga.gov/exhibitions/2004/rivera/image-list.shtm nog te zien zijn. Bovendien is vanaf deze pagina een uitvoerige biografie van Rivera's kubistische periode bereikbaar. De expositie was daarna te zien in Museo de Arte Moderno te Mexico City met als titel Diego Rivera y el cubismo. Memoria y vanguardia.
Van 21 juni t/m 20 september 2009 werd in de SMU Meadows Museum of Art te Dallas de tentoonstelling Diego Rivera: The Cubist Portraits, 1913-1917 gehouden. Hier waren 31 werken van Rivera te zien.
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Rivera. | ![]() |