Raoul Ernst Joseph Dufy werd op 3 juni 1877 in Le Havre geboren als tweede zoon van Léon Marius Dufy (1845-1925) en Marie-Eugénie Ida Lemonnier (1850-1931). Het echtpaar kreeg negen kinderen. Vanaf zijn veertiende jaar werkte Raoul op een handelskantoor. In 1892 ging hij 's avonds studeren aan de École municipale des Beaux-Art, waar hij o.a. Othon Friesz ontmoette. In 1898 vertrok hij op de fiets naar Parijs waar hij zich op 8 oktober 1898 in schreef op de École National des Beaux-Arts. Kort daarna moest hij in militaire dienst in Rouen. In oktober 1899 kreeg Dufy een beurs van 600 FF van de stad Le Havre om in Parijs een jaar te kunnen studeren. Op 24 november 1899 begon hij de lessen van Léon Bonnat (1833-1922) te volgen aan de Parijse kunstacademie. Hier ontmoette Dufy opnieuw Friesz.Samen woonden zij in 1900 in de Rue Cortot 12.
Op dit adres is nu het Musée de Montmartre gevestigd. Aan de muur hangt de nevenstaande gedenkplaat met daarop de namen van de kunstenaars, die in het gebouw gewoond en gewerkt hebben. De schrijver Pierre Reverdy had voordat hij hier kwam wonen eerst in Le bateau Lavoir gewoond. Hij ging om met de kubisten.
In 1901 ontmoette Dufy de schilder Albert Marquet (1875-1945) waar hij levenslang mee bevriend zou blijven. Volgens het dagboek van Fernade Olivier ging Dufy enige tijd in 1902 met haar om en bezocht zij hem in de Rue Victor-Massé 15 in de Parijse wijk Montmartre. De woning lag vlakbij de Galerie Berthe Weill. In 1903 ging Dufy samenwonen met Claudine in de Rue Victor-Massé. Hij maakte in 1902 het nevenstaande portret van haar. Tot 1912 zou Dufy één of twee keer per jaar bij Galerie Berthe Weill tentoonstellen. In 1903 werden werken van Dufy tentoongesteld op de Salon des Indépendants. De zomermaanden augustus/september 1903 bracht Dufy door in de Zuidfranse plaats Martigues en de zomer van 1904 met Marquet in Fécamp. In de herfst van 1904 ontmoette Dufy in het atelier van Bonnat de medeleerling Georges Braque. Na zijn kennismaking met werken van Henri Matisse op de Salon des Indépendants in 1905 ging Dufy op fauvistische manier schilderen. In hetzelfde jaar waren die schilderijen te zien op de Salon d'Automne, maar niet in de z.g. cage aux fauves-zaal.
In 1906 had Dufy zijn eerste solotentoonstelling bij Galerie Berthe Weill. In de zomer van 1908 schilderde hij samen met zijn vriend George Braque in L'Estaque, waar ook Cézanne had geschilderd. Een aantal werken had een pré-kubistische inslag. Samen met zijn vriend Othon Friesz reisde Dufy eind 1909 naar München, waar zij vier maanden verbleven.
In 1909 ging Dufy samenwonen met de uit Nice afkomstige Eugénie-Émilienne Brisson in de Rue Séguier en ontmoette hij de couturier Paul Poiret. Voor hem ontwierp Dufy briefhoofden, voor elke dag een ander. In 1910 kreeg Dufy de gelegenheid om in de Villa Médicis libre te wonen. Hier ontmoette Dufy de medebewoners André Lhote en Jean Marchand. Villa Médicis libre was in 1909 opgericht door Georges Bonjean om arme 'getrouwde' kunstenaars te ondersteunen. Op 9 februari 1911 trouwde Dufy in Parijs met Eugénie Brisson, roepnaam Émilienne. Het echtpaar ging wonen in de Impasse de Guelma 5. In 1911 zocht Poiret contact met Dufy om stoffen te ontwerpen. Dufy sprak af om de ontwerpen ook zelf te gaan drukken. Met geld van Poiret opende Dufy de werkplaats La Petite Usine op Boulevard de Clichy 141. Hiernaast staan twee voorbeelden van Poirets ontwerpen met het design van Dufy. In 1912 kwam daaraan een einde, doordat de zijdefabrikant Bianchini Dufy min of meer wegkocht. Poiret kocht daarna via Bianchini de ontwerpen van Dufy. Dufy zou met een onderbreking tijdens de Eerste Wereldoorlog tot 1928 voor de firma Bianchini blijven werken.
In 1913 had Dufy twee werken hangen op de Armory Show in de Verenigde Staten van Amerika. Dufy leende de olieschilderijen Leopold Str. Munich uit 1909 en Regate sur La Manche uit 1909 uit voor de tentoonstelling. Beide niet-kubistische werken hadden een verkoopwaarde van 2000 FF volgens de archiefkaarten van Walt Kuhn.
In mei 1914 bracht Dufy een bezoek aan Duitsland, waar hij o.a. Düsseldorf, Keulen en Berlijn bezocht. In Berlijn ontmoette Dufy Herwarth Walden. Van 1914 tot 1918 was Dufy als militair betrokken bij de Eerste Wereldoorlog. Van 28 februari 1918 tot 4 april 1919 was Dufy conservator van het door Henri Leblanc (1873-1935) en zijn vrouw Louise Leblanc-Charlier (1869-1931) gestichte Bibliothèque-Musée de la Guerre. Het echtpaar had vanaf 1914 zoveel mogelijk verzameld over de oorlog. Op 4 augustus 1917 vermaakte het echtpaar de verzameling aan de Franse Staat. Op 11 januari 1918 aanvaardde de Franse Staat de schenking per decreet.
Op 28 april 1920 sloot Dufy een jaarcontract met Bernheim-Jeune en Vildrac. Hij kreeg ook van 10 t/m 19 maart 1921 een retrospectieve tentoonstelling in de Galerie Bernheim-Jeune. Op 11 oktober 1921 sloot Dufy een driejarig contract met Bernheim-Jeune. Op 13 november 1924 sloot Dufy een nieuw contract met Bernheim, waarin werd vastgelegd, dat Dufy direct mocht verkopen aan de volgende vijf personen: mevrouw Rose Vildrac, Berthe Weill, André Level, Pierre Loeb en Nico Mazaraki. In 1932 maakte Dufy een portret van de Griekse miljonair Mazaraki.
Naast het schilderen en het ontwerpen van stoffen illustreerde Dufy boeken, was bezig met keramiek en decors voor balletten o.a. Palm Beach. In 1937 ontwierp en maakte hij een grote wandschildering (60 bij 10 meter) voor het Palais de l'Électricité op de Wereldtentoonstelling in Parijs. Het werk was opgebouwd uit 250 delen van 2 meter hoog en 1,2 meter breed. Gedurende vier en een halve maand werkten Raoul Dufy, zijn broer Jean Dufy, Raouls vriend André Robert, Jacques Maroger en M. Madelin aan het werk.
Dufy maakte verschillende reizen naar de U.S.A., maar bracht de meeste tijd door in Zuid-Frankrijk, mede i.v.m zijn ziekte (artritis). Op 23 maart 1953 stierf Dufy in Forcalquier in de Provence. Op 26 maart werd Dufy tijdelijk begezet in het famiegraf van de familie Gaffié en in 1956 begraven op het kerkhof van Cimiez in Nice. De herbegrafenis was een gevolg van een schenking van werken van Dufy door zijn weduwe. In 1963 volgde een schenking van o.a. 25 schilderijen, 5 aquarellen en 30 tekeningen. Dufy maakte meer dan 3000 schilderijen, 6000 aquarellen, tekeningen, stofontwerpen, boekillustraties e.d. In 1972 schonk Berthe Reysz, die sinds begin jaren veertig de verpleegster en geliefde was van Dufy, een groot aantal werken aan het Musé d'Art Moderne de la ville de Paris.
Van 5 maart t/m 16 juni 2003 werd in de Fondation Dina Vierny-Musée Maillol, Rue de Grenelle 61 te Parijs en van 5 juli t/m 28 september 2003 in het Musée des Beaux-Arts de Nice - Musée Jules Chéret de tentoonstelling Raoul Dufy un autre regard gehouden. Bij de tentoonstelling verscheen een catalogus met dezelfde titel.
Van 17 oktober 2008 t/m 11 januari 2009 werd in het Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris de tentoonstelling Raoul Dufy. Le Plaisir gehouden. Bij de tentoonstelling werd onder dezelfde naam (ISBN: 978-2-7596-0043-4) een catalogus geschreven door Sophie Krebs uitgegeven.
| Tik op nevenstaande knop voor kubistische werken van Dufy. | ![]() |