De naam wordt ook geschreven als Ljubow Popowa, Lioubov Popova, Lioebow en Lyubov.
Liubov Sergeevna Popova, werd op 24 april 1889 geboren in Krasnovidovo een plaatsje bij Ivanoskoe (Ivanovskoje) vlakbij Moskou, als tweede kind van Sergei Maximovich Popov, een textielfabrikant die ook de directeur was van een muziek- en toneeltheater, en Liubov Vassilievna Zubova. Popova kreeg huisonderricht en tekenles van K. Morlov. In 1902 verhuisde de familie naar Rostov (Yalta) en bezocht zij het Jaltinskaja meisjesgymnasium. In 1906 keerde Popova met de familie terug naar de Novinsky Boulevard in Moskou en studeerde daar na het Arseneva-gymnasium literatuur. Popova bleef heel haar leven op dit adres wonen.
In 1907 nam zij les bij een huisvriend van de familie, de Impressionistische schilder Stanilav Zhukovski (ook geschreven: Zhukovsky), en in 1908 bij Konstantin Yuon en Ivan Dudin. Hier ontmoette Popova Liudmila Prudkovskaia, de zus van Nadezhda Udaltzova, de latere beeldhouwster Vera Mukhina (1889-1953) en Alexander Vesnin. In 1908 en 1909 werkten zij samen met Liudmila Prudkovskaia in Krasnovidovo. Popova schilderde realistische landschappen. In de lente van 1910 bezocht zij met de gehele familie Italië. Door de rijkdom van haar vader was zij instaat de volgende jaren door Rusland te reizen.
In de herfst van 1911 had Popova samen met Prudkovskaia een atelier in de Antipievsky straat in Moskou. Later kwamen daar ook Sofii Karetnikova-Til, Nadezhda Udaltzova en Vera Pestel. In de herfst van 1912 werkte Popova in een gemeenschappelijk atelier in de toren van de Kuznetsky brug. Een van de andere schilders was Vladimir Tatlin, die grote invloed had op Popova. In 1912 bezocht zij de privécollectie van Sergei Shchukin en zag daar de schilderijen van Cézanne, Georges Braque en Pablo Picasso. Samen met haar oude gouvernante Adda (Adelaida) Dege, Udaltzova, Karetnikova en Pestel ging Popova in de herfst van 1912 naar Parijs. Zij verbleven in het pension van Madame Jeanne, waar Aleksandra Exter al woonde. Karetnikova en Pestel keerden spoedig terug naar Moskou. Op advies van Aleksandra Exter schreven Popova en Udaltzova zich in op de Académie de la Palette, waar zij schilderden onder leiding van Jean Metzinger, Henri Le Fauconnier en André Dunoyer de Segonzac. Ook maakte zij kennis met het werk van Ossip Zadkine en Alexander Archipenko en het futurisme.
In januari en februari 1912 stelde zij voor het eerst werken tentoon met de Ruitenboer groep te Moskou. Andere schilders bij deze tentoonstelling waren o.a. Udaltsova, Kazimir Malevich, Henri Le Fauconnier, Georges Braque, Pablo Picasso, André Derain en Maurice de Vlaminck. In mei 1913 bezocht Popova samen met Vera Mukhina en Boris Ternovets het plaatsje Palus in Engeland, waar haar Franse pensionhoudster een huisje had. Na de zomer van 1913 keerde zij terug naar Rusland en werkte zij in de studio van Tatlin.
In april 1914 keerde Popova terug naar Parijs om daarna samen met Vera Mukhina en Iza Burmeister twee maanden in Italië door te brengen. Zij bezochten alle belangrijke plaatsen van Italië. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging Popova terug naar de studio van Tatlin in Rusland. Tijdens de winter 1914-1915 werd haar woning op de Novinskii Boulevard wekelijks een verzamelpunt van de avant-garde, waaronder de kunsthistoricus Boris von Eding. Haar werken lieten de invloed van het kubisme en het futurisme zien. Popova raakte in de loop van 1915 betrokken bij de groep rond Malevich en maakte kubistische collages en drie-dimensionale reliefs. Aan het einde van 1915 ging zij over naar het schilderen van stadsgezichten, landschappen en de niet-objectgebonden stijl van Malevich.
Op de tentoonstelling 0.10 van 17 december 1915 tot 19 januari 1916 in Petrograd (=St. Petersburg) maakte Popova en de andere deelnemers voor het eerst kennis met de eerste suprematische schilderijen van Malevich. In de jaren 1915-1917 maakte Popova deel uit van de groep Supremus die rond Malevich was ontstaan. De samenkomsten waren in Udaltzovas atelier.
In maart 1918 trouwde Popova met Boris von Eding, die een expert in Russisch antiek was. In november werd een zoon geboren, waardoor Popova niet aan schilderen toekwam. In de zomer van 1919 ging het gezin naar Rostov aan de rivier de Don. Boris kreeg tyfus en stierf. Ook Popova kreeg de ziekte, maar met de goede zorgen van haar vroegere gouvernante Adda Dege kwam zij de ziekte te boven. Pas in november 1919 keerde Popova terug naar Moskou met een hartkwaal. Voor een lange tijd maakte zij geen schilderijen. Wel nam Popova deel aan vele tentoonstellingen en gaf zij les aan de Vkhutemas en werd zij lid van Inkhuk.
Pas in 1921 was zij hersteld en nam zij o.a. deel aan de tentoonstelling 5 x 5 = 25 in Moskou. Haar werken lieten haar overgang naar het constructivisme zien. Door de politieke situatie in Rusland was de waardering voor het schilderij als kunstuiting sterk verminderd. Kunst moest in dienst staan van het communisme. Zij ontwierp voor het theater en gaf les in ontwerpen. Sergei Eisenstein, de later zeer bekende filmmaker, was één van haar studenten. Daarnaast leverde zij ontwerpen voor kleding, posters, boeken en porselein. In 1923 ontwierp Popova de decors voor Zemlya Dybom (=De wereld op zijn kop) van Sergei Tretyakow. Het bestond uit enorm vergrote collages met foto's van het oprukkende Russische leger onder leiding van Trotsky. In mei 1924 overleed Popova's zoon aan roodvonk en besmette zijn moeder. Op 25 mei 1924 overleed Popova in Moskou. Op 21 december was de opening van een grote postume tentoonstelling van Popova's werken: Posmertnoi vystavki khudozhnika-konstruktora L.S. Popovoi.
In de periode 1999-2001 werden vijf exposities gehouden onder de naam Amazons of the avant-garde: Alexandra Exter, Natalia Goncharova, Liubov Popova, Olga Rozanova, Varvara Stepanova and Nadezhda Udaltsova.
![]() |
|
Bij de tentoonstelling verscheen een boek met dezelfde titel onder redactie van John E. Bowlt en Matthew Drutt.
| Tik op een nevenstaande knop voor werken van Popova. | ![]() | ![]() | ![]() |