Alexander Porfir'evich Archipenko (ook geschreven als Aleksandr Artsjipenko en Arkhipenko) werd op 30 mei 1887 in Kiev, Oekraïne, geboren als zoon van Porfiry Antonovich Archipenko en Poroskovia Wassilievna Machova. Zijn vader was ingenieur en professor aan de Universiteit van Kiev. Na eerst thuis onderwezen te zijn ging Archipenko op negenjarige leeftijd naar het gymnasium in Kiev. In 1900 moest hij lange tijd door een scheenbeenkwetsuur te bed blijven. Als tijdverdrijf bestudeerde hij Michelangelo en kopieerde hij tekeningen van hem uit een boek dat zijn opa, die ikonen schilderde, had gegegeven.
Hij studeerde vanaf 1903 voor beeldhouwer in Kiev en van 1905 tot 1908 in Moskou. In 1908 vestigde hij zich in Parijs waar hij slechts even studeerde aan l'Ecole des Beaux-Arts daar hij het academisch onderwijs verstikkend en vervelend vond. Hij richtte een atelier in in het ateliergebouw La Ruche te Montparnasse waar o.a. Modigliani en Gaudier-Brzeska met hem de beeldhouwkunst studeerden. Behalve een grote groep Russen, waaronder Marc Chagall, Jacques Lipchitz en Ossip Zadkine, woonde ook Fernand Léger met zijn Russische vrouw in La Ruche. In 1910 kwam Archipenko in contact met de kubisten. Van 1910 t/m 1920 stelde hij regelmatig werken tentoon tijdens de 'Salon d'Automne', de 'Salon des Indépendants' en de 'Section d'Or'. Op de Salon des Indépendants van 1910 hing één tekening en stonden vijf sculpturen van Archipenko.
In 1911 verhuisde Archipenko naar de Rue des Artistes 36 te Parijs. Hier opende hij zijn atelier voor studenten en ontmoette hij in 1912 de Italiaan Boccioni. Van 7 december 1912 t/m 8 januari 1913 had Archipenko samen met Henri le Fauconnier een tentoonstelling in het Folkwang Museum te Hagen (Duitsland). In 1913 nam hij met vier beeldhouwwerken en vijf tekeningen deel aan de Armory Show te New York en in 1914 aan de futuristische tentoonstelling in Galerie Sprovieri te Rome. Hij slaagde erin de ideeën van de kubisten over te brengen op zijn beeldhouwwerken. Dit werd soms in tijdschriften belachelijk gemaakt. B.v. de gondelier werd in 'Le Bonnet Rouge' van 7 maart 1914 van commentaar voorzien. Archipenko werkte ook mee aan de Russische Academie op de Avenue du Maine in Parijs.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef hij op Château Valrose in Cimiez, een voorstad van Nice. Behalve Archipenko leefden in of rond Nice de kunstenaars Serge Férat, Henri Matisse, Modigliani, Survage, Tsuguhara Foujita, Morgan Russel en Chaim Soutine. In Cimiez kon de Belgische schilderes Marthe Donas van Archipenko de bovengelegen verdieping huren om te schilderen. Volgens Mondriaan in een brief aan Theo van Doesburg van 21 augustus 1919 had Archipenko een relatie met Marthe Donas. In hetzelfde jaar, november 1919, bezocht Katherine Dreier in gezelschap van Marcel Duchamp Archipenko's atelier in verband met de Société Anonyme. In 1920 vertrok Archipenko naar Berlijn, waar hij zijn eigen beeldhouwschool opende (1921). Van 1 februari t/m 15 maart 1921 was bij de Société Anonyme in New York een expositie van Archipenko, waaraan Duchamp had meegewerkt. Archipenko trouwde in 1921 met de Duitse beeldhouwster Angelica Bruno-Schmitz (1893-1957), de kleindochter van Bonaventura Genelli. Zij exposeerde onder de naam Gela Forster. In 1923 verhuisde hij naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hij in 1928 Amerikaans staatsburger werd. In zijn Amerikaanse periode maakte hij meer dan 750 werken. Daarnaast publiceerde hij regelmatig. Het hoogtepunt was in 1959 het 'Manifest van de Polychromie'. Hij werkte vooral in New York en Chicago. Op 1 augustus 1960 trouwde Archipenko met zijn oudleerlinge en beeldhouwster Francis Gray in Parijs. Het was tevens het eerste bezoek aan Parijs sinds 1921. Op 25 februari 1964 overleed hij te New York.
Opmerking.
Een zeer uitgebreide biografie is te lezen op de Engelstalige website van The Archipenko Foundation op het webadres www.archipenko.org/aa_chronology.html
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Archipenko. | ![]() |