Jacques Lipchitz, oorspronkelijk Chaim Jacob Lipchitz geheten, werd geboren op 22 augustus 1891 te Druskieniki in het tegenwoordige Litouwen als zoon van een bouwondernemer. Na zijn schoolopleiding in Bialystok en Vilna (=Vilnius) ging Lipchitz in 1909 tegen de wil van zijn vader en zonder geldige papieren naar Parijs. Door zijn joodse afkomst had hij een bijzondere vergunning nodig om te reizen. In Parijs studeerde hij als libre élève aan de École des Beaux-Arts, de Académie Julian en 's avonds aan de Académie Colarossi. Hij werkte en woonde in het ateliergebouw La Ruche. In 1911 exposeerde hij op de Salon des Indépendants. In 1912 keerde Lipchitz terug naar Rusland om zijn militaire dienstplicht te vervullen, maar hij werd spoedig wegens zijn zwakke gezondheid afgekeurd. Hij keerde daarop naar Parijs terug, waar hij een atelier naast Brancusi in de Rue de Montparnasse 54 betrok. In 1913 ontmoette hij via Diego Rivera de kubist Pablo Picasso en andere kubistische schilders. Het kubisme gaf de beeldhouwer door de breuk met het naturalistisch weergeven van de werkelijkheid de mogelijkheid zijn eigen scheppende vrijheid.
Beïnvloed door de beeldhouwwerken van Umberto Boccioni en Raymond Duchamp-Villon ging Lipchitz in de winter van 1912-1913 aan de slag. Zijn kubistische beelden exposeerde hij voor het eerst tijdens de Salon d'Automne. In 1913 ontmoette Lipchitz in gezelschap van Max Jacob de schilder Modigliani. In 1914 bezocht hij samen met Riviera Spanje, waar o.a. het Prado in Madrid en de natuur van Mallorca grote indruk maken. Hij raakte in 1916 bevriend met Juan Gris, waarmee hij b.v. de zomer van 1918 in Villeneuve doorbracht, en met Modigliani (1918).

In 1916 schilderde Modigliani het nevenstaande portret van Jacques Lipchitz en zijn toekomstige vrouw Berthe Kitrosser, die hij in 1915 had ontmoet en pas in 1924 nadat Lipchitz Frans staatsburger was geworden officieel zou trouwen. Ook zijn een aantal tekeningen bekend. In verband met de beschietingen van Parijs ging de familie Lipchitz naar Juan en Josette Gris, die van april tot half november 1918 verbleven in Beaulieu-les-Loches, de geboortestreek van Josette. Zij kregen daar o.a. gezelschap van Jean Metzinger en Maria Blanchard. Op nevenstaande foto staan vlnr Gris, de Chileense dichter Vicente Huidobro en Lipchitz met daarvoor hun vrouw en Huidobro's kinderen. Door het ontbreken van materiaal om te beeldhouwen kwam Lipchitz toe aan tekenen en het maken van reliëfs.
Terug in Parijs kwam de gebogen lijn in de beelden van Lipchitz te voorschijn. In 1920 had Lipchitz zijn eerste afzonderlijke tentoonstelling in Parijs bij de Galerie L'Effort Moderne van Léonce Rosenberg. De expositie sloot een contract met Rosenberg, dat Lipchitz in 1916 was aangegaan, min of meer af. In 1922 kreeg Lipchitz van de Amerikaan Dr. Albert C. Barnes de opdracht om vijf reliefs te leveren voor het bedrijfsgebouw van de Barnes Foundation in Merion, Pennsylvania. Barnes, die door zijn patent op het geneesmiddel Aryrol rijk was geworden, was in de winter van 1922-1923 naar Parijs gekomen en besteedde veel geld aan kunst. Hij probeerde o.a. al het werk van Chaim Soutine via Paul Guillaume op te kopen, maar kocht ook werk van Cézanne, Picasso, Matisse, Derain en Modigliani.
Door problemen met zijn arm ging het hakken steeds moeilijker en vanaf 1925 koos hij vooral voor bronsgieten, daar boetseren minder fysieke inspanning kostte. In 1925 liet Lipchitz een atelierwoning door Le Corbusier ontwerpen, dat werd gebouwd in Parijse voorstad Boulogne-sur-Seine. In 1930 had Lipchitz een door Jeanne Bucher georganiseerde expositie bij Galerie de la Renaissance onder de titel Cent sculptures par Jacques Lipchitz en in 1935 had hij zijn eerst grote expositie in Amerika in de Brummer Gallery te New York.
In 1936 raakte Lipchitz geïnteresseerd in de politiek, misschien mede door de verkiezing van de Jood Léon Blum tot de eerste socialistische premier in Frankrijk in juni 1936. Samen met Marcel Gromaire ontwierp Lipchitz een pamflet met Emile Zola als onderwerp voor de Popular Front parade. Het Popular Front was een coalitie van diverse linkse politieséeske partijen. Door Blums'departement werd Lipchitz uitgenodigd om een beeld te maken voor de Parijse Wereldtentoonstelling van 1937. Lipchitz maakte een 10 meter hoog beeld Prometheus wurgt de Vulture, dat ongeveer 12 meter hoog kwam te staan in het Grand Palais. Het beeld won een gouden medaille en werd na de tentoonstelling geplaatst op de Champs Elysées. Door de val van Léon Blums regering en een petitie tegen het beeld en de kunstenaar werd het beeld in het voorjaar van 1938 vernietigd.
Na de bezetting van Frankrijk door het Duitse leger vluchtten Lipchitz en zijn vrouw met achterlaten van alle bezittingen naar Toulouse en in juni 1941 vanuit Portugal naar New York. Op aanraden van Jeanne Bucher betrok de schilder Edouard Pignon (1905-1993) de verlaten atelierwoning van Lipchitz. Lipchitz moest in New York opnieuw beginnen en na een kort verblijf in 1945 in Parijs, in verband met een komende expositie bij Galerie Maeght, keerde hij definitief terug naar de V.S. Zijn vrouw Bertha Kitrosser bleef achter in Boulogne-sur-Seine. In 1948 hertrouwde Lipchitz met de beeldhouwster Yulla Halberstadt en het gezin werd hetzelfde jaar uitgebreid met dochter Lolya Rachael. Helaas brandde in januari 1949 zijn New Yorkse atelier in de 2 East 23rd Street uit en vele werken gingen verloren of werden beschadigd.
In 1953 vestigde Lipchitz zich in Hastings-on-Hudson, een plaats vlakbij New York. Hij produceerde een groot aantal beelden voor gebouwen in Rio de Janeiro, Frankrijk en de Verenigde Staten. In 1958 werd Lipchitz Amerikaans staatsburger.
Van 17 mei tot 20 juli 1958 was er een overzichttentoonstelling van 116 beeldhouwwerken in het Rijksmuseum Kröller-Müller op het landgoed De Hoge Veluwe te Otterlo.
Lipchitz overleed op 26 mei 1973 op Capri, een eiland voor de kust bij Napels.
In 1961 verscheen in New York van Irene Patai het boek Encounters: The Life of Jacques Lipchitz
.| Tik op nevenstaande knop voor werken van Jacques Lipchitz. | ![]() |