Albert Léon Gleizes werd op 8 december 1881 te Parijs geboren als zoon van de industriële ontwerper Sylvain Gleizes. Het gezin woonde in de Rue de l'Echiquier, maar verhuisde naar de Parijse voorstad Neuilly. Vanaf 1887 groeide Gleizes op in Courbevoie (Avenue Gambetta), waar hij in de ouderlijke tuin een eigen atelier had. In 1899 ging Albert bij zijn vader werken, waardoor hij van zijn vader toestemming kreeg om acteerlessen te volgen. In 1902 werd hij opgeroepen voor militaire dienst, die hij begon in Abbeville. Hier begon hij met schilderen en had hij in hetzelfde jaar zijn eerste tentoonstelling in de Société Nationale des Beaux-Arts te Parijs. In 1903 nam hij deel aan de Salon d'Automne.
Na zijn militaire dienst (herfst 1905) stichtte hij de Association Ernest Renan, die vooral tegen de militaire dienst was gericht, en in december 1906 de Abbaye de Créteil. Tijdens open dagen in de Abbaye in de zomer van 1907 ontmoette Gleizes de Italiaan Marinetti (1876-1944), de latere theoreticus van het futurisme, en de Roemeense beeldhouwer Constantin Brancusi. Deze utopische gemeenschap van schrijvers en kunstenaars sloot in januari 1908 wegens financiële problemen. (Zie voor verdere informatie de Franstalige website www.duhamel-abbaye-de-creteil.com.) Gleizes verhuisde naar het ateliergebouw La Ruche.
In 1909 ontmoette hij via Alexandre Mercereau Henri le Fauconnier en in 1910 Jean Metzinger en Robert Delaunay. In 1910 stelde hij zijn schilderijen tentoon bij de Salon des Indépendants en Salon d'Automne te Parijs en op de Jack of Diamonds (Ruitenboer) te Moskou. In 1911 nam hij deel aan de tentoonstelling van de kubisten in de Salon des Indépendants en de Salon d'Automne. Gleizes behoorde tot de groep Puteaux samen met Roger de la Fresnaye, Fernand Léger, Jean Metzinger, Francis Picabia en Jacques Villon. In het septembernummer 1911 van La Revue Indépendante schreef Gleizes een lang artikel over Jean Metzinger in de serie Art et ses représentants. Eind 1911 startte Gleizes met discussiebijeenkomsten op maandag in zijn atelier in Courbevoie.
In 1912 schreef Gleizes samen met Metzinger het boek Du Cubisme, dat op 20 oktober 1912 verscheen bij de uitgeverij Eugène Figuière et Cie te Parijs. Opvallend was de aanwezigheid van een portret van Paul Cézanne, die zij als hun meester beschouwden. Daarnaast waren illustraties aanwezig van Gleizes (5), Metzinger (5), Léger (5), Gris (1), Picabia (2), Duchamp (2), Picasso (1), Derain (1), maar ook van de niet-kubistische schilderes Marie Laurencin (2). Van Braque was geen afbeelding aanwezig. In 1913 verscheen in Londen een Engelse vertaling onder de naam Cubism. Gleizes nam deel aan tentoonstellingen in Moskou, Barcelona, New York (Armory Show 1913) en Berlijn.
Op 10 februari 1913 verscheen in het eerste nummer van het tijdschrift Montjoie! van Ricciotto Canudo het eerste deel van het door Gleizes geschreven artikel Cubisme et la tradition, waarin Gleizes de invloed van de Italiaanse Renassance op de Franse kunst beschreef. Het tweede deel stond in het tweede nummer, dat op 25 februari 1913 verscheen. Van het tijdschrift verschenen tot juni 1914 dertien nummers. Ook Apollinaire werkte regelmatig aan dit tijdschrift mee. In 1927 verscheen bij de uitgeverij J. Povolozky een gebundelde uitgave van artikelen en voordrachten van Gleizes uit de periode 1912-1924 onder de titel Cubisme et la tradition. Vers une conscience plastique.
In 1914 werd Gleizes opgeroepen voor de militaire dienst in verband met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In de garnizoensplaats Toul moest Gleizes het 'entertainment' van de militairen organiseren. Een van zijn helpers was de schilder George Valmier. Na zijn demobilisatie begin herfst 1915, trouwde hij in september met Juliette Roche, de dochter van de politicus Jules Roche en die geboren was op 29 augustus 1884. Gleizes had Juliette via de voor het blad Montjoie schrijvende Italiaan Riciotto Canudo ontmoet op de Salon des Indépendants van 1913. Gleizes ging naar Amerika waar hij in New York de Franse schilders Marcel Duchamp en Jean Crotti en de Amerikaanse schilders Max Weber, Man Ray en Joseph Stella ontmoette. Samen met Duchamp en Crotti exposeerde Gleizes in april 1916 in de Montross Gallery. Ook Metzinger deed mee aan deze expositie met de naam The Four Musketeers. Eind mei 1916 vertrok het echtpaar Gleizes met de Alfonso XIII naar Barcelona, waar zij oude bekenden tegenkwamen: Picabia, zijn vrouw Gabrielle Buffet en Marie Laurencin. Juliette was goed bekend in Barcelona, daar zij met haar vader, die voorzitter van het bestuur van Compania Hidroeléctrica de Cataluña was, veel in Barcelona was geweest. De familie vestigde zich in een flat van deze firma in de Carrer Balmes 22.
Via de vriendenkring kreeg Gleizes van 29 november t/m 12 december 1916 een expositie in Galerie Dalmau te Barcelona. Er werden 31 werken getoond. In twee artikelen in La Veu de Catalunya, n.l. op 11 en 18 december 1917, verdedigde Josep Dalmau zowel Gleizes als het kubisme.
Op 16 december 1916 verlieten Albert en Juliette Gleizes Barcelona om via Cuba naar New York te gaan. Via Spanje en Portugal keerde het echtpaar Gleizes in april 1919 terug naar Parijs, waar het een appartement op de Boulevard Lannes huurde. Gleizes ging werken in het atelier van de overleden Raymond Duchamp-Villon te Puteaux. Vanaf 6 december 1921 had Gleizes hier op dinsdag en vrijdag twee leerlingen, n.l. Mainie Jellett en Evie Hone. Spoedig volgden ook Colette Dumouchel-Nel (1895-1960), een schoonzus van Gleizes' vriend Dr. René Allendy, en Victor Poznansky. Ook in zijn schilderijen trad een grote verandering op. Zie nevenstaand voorbeeld uit 1930 met de naam Compositie (Madonna met kind). In november 1924 ontving Gleizes in zijn atelier te Neuilly de schilder Robert Pouyaud.
In 1920 verscheen van Gleizes het boek Du Cubisme et les moyens de le comprendre en in 1923 het artikel La peinture et ses lois: ce qui devant sortir du cubisme in La Vie des lettres et des arts. Het artikel verscheen daarna in een boekje in 1924 en in afleveringen in het Bulletin de l'Effort Moderne van Léonce Rosenberg in 1924-1925. In april 1923 erfde Juliette Gleizes-Roche na de dood van haar vader een huis in Serrièrre (Ardèche) en een aandelenpakket. De herfst werd voortaan daar doorgebracht. Tijdens zijn verblijf in Zuid-Frankrijk in de zomer van 1926 kreeg de auto waarin Gleizes en zijn vrouw zaten een ongeluk. Gleizes werd uit de auto geslingerd en brak beide enkels. Hij lag daardoor veertien dagen in een kliniek in Toulon. In het ziekenhuis hoorde hij dat een landgoed te koop was. Het echtpaar Gleizes verkocht het aandelenpakket en kocht de landvilla's Les Méjades en Archaimbaud bij Saint-Rémy-de-Provence in Zuid-Frankrijk. In 1927 was Gleizes medeoprichter van een sociaalutopische gemeenschap van handwerkslieden en kunstenaars genaamd Moly-Sabata`in het aan de Rhône gelegen Sablons. Pouyaud en zijn vrouw waren de eerste bewoners van het door Gleizes gehuurde bouwval met omringende grond, maar vertrokken teleurgesteld in november 1930. In maart 1937 werd het gebouw door de eigenaar, de Trinitaires de Saint-Félicien, te koop gezet, maar Gleizes slaagde erin door de verkoop van werken in de Verenigde Staten het gebouw in 1938 te kopen. Gleizes schreef verschillende boeken over dit onderwerp.
Vanaf 1939 leefde Gleizes teruggetrokken in de villa Les Méjades te Saint-Rèmy-de-Provence. In 1947 was er een retrospectieve expositie in de Chapelle du Lycée Ampère te Lyon. Op 23 juni 1953 stierf Gleizes te Avignon. Zijn vrouw Juliette overleed op 23 november 1980. Beiden werden bijgezet in het familiegraf van Juliettes vader in Serrières. Jules Roche was o.a. burgemeester geweest van die plaats. Ook de Australische ceramiste Anne Dangar (1885-1951) en Lucie Deveyle (1908-1956), die lange tijd Moly-Sabata bewoonden, liggen in hetzelfde familiegraf op de Cimetière de Serrières.
Van 6 september t/m 10 december 2001 werd in het Musée des Beaux-Arts te Lyon de tentoonstelling Albert Gleizes - Le Cubisme en Majesté gehouden. Bij de tentoonstelling verscheen een catalogus onder dezelfde naam uitgegeven door de Reunion des Musées Nationaux, ISBN 2711841995 (paperback). De tentoonstelling werd eerder gehouden in het Museu Picasso te Barcelona van 29 maart t/m 5 augustus 2001.
In 2001 is een biografie van Albert Gleizes verschenen bij de Yale Presse d'Université geschreven door Peter Brooke onder de titel Albert Gleizes For and Against the Thentieth Century.| Tik op een nevenstaande knop voor kubistische werken van Gleizes. | ![]() | ![]() ![]() |