André Derain werd op 17 juli 1880 geboren te Chatou als zoon van de banketbakker Louis Charlemagne Derain. Van 1898 tot 1899 bezocht hij de academie van Carrière. Daar leerde hij Henri Matisse kennen. Bevriend met Matisse en de Maurice de Vlaminck, die hij op 18 juni 1900 leerde kennen bij een spoorwegongeluk bij Chatou (een voorstad van Parijs), zorgde hij voor de ontwikkeling van het fauvisme. Met beide schilders deelde hij een atelier, n.l. met de Vlaminck in Chatou en met Matisse tijdens de zomer van 1905 in Collioure. Voor de Vlaminck illustreerde hij tijdens zijn dienstijd (september 1901- september 1904) twee romans.
André Derain ontmoette Fernand Léger in 1904 op de Académie Julian. Dit was een soort particuliere kunstacademie die naast de officiële l'École des Beaux-Arts bestond. Vele schilders gebruikte de Académie Julian als voorbereiding voor de officiële. In 1904 leerde hij ook de dichter Guillaume Apollinaire kennen. In februari 1905 kocht de kunsthandelaar Ambroise Vollard acht atelierwerken voor 2000 francs van Derain. Ongeveer in dezelfde tijd verkocht Derain drie werken aan de Russische kunstverzamelaar Iwan Morosov. Hij exposeerde zowel op de Salon des Indépendants als de Salon d'Automne. Samen met Matisse, de Vlaminck en anderen zorgde Derain voor het bekend worden van de stroming 'fauvisme'. Op 23 november 1905 kocht Vollard 89 schilderijen en ongeveer 80 werken op papier voor een bedrag van 3.300 FF. Bovendien sloot Vollard een contract met Derain. Van Vollard kreeg hij de opdracht voor een aantal 'gezichten' op Londen. Denkelijk was het succes van Claude Monet (1840-1926) met schilderijen van de Thames bij de Galerie Durand-Ruel in 1904 de aanleiding.
Van 6 maart tot midden april 1906 was Derain in Londen met een korte onderbreking vanaf 17 maart om Matisse te helpen bij zijn eerste solotentoonstelling bij Galerie Druet en het bijwonen van de opening van de Salon des Indépendants op 20 maart. In dit voorjaar huurde Derain een atelier in de rue Tourlaque in Montmartre. Met behulp van zijn in Londen gemaakte schetsen schilderde Derain in zijn atelier zijn Londense werken. Ook vond hij tijd om het nevenstaande bed met houtsneden te maken voor Vollard. Augustus 1906 bracht Derain door in L'Estaque. Eind januari 1907 was Derain opnieuw in Londen, waar hij tot 7 of 10 februari werkte. Derain ontmoette in 1907 Pablo Picasso, die vlakbij woonde, daar Derain woonde in het ateliergebouw Les Fusains, gelegen tussen de Rue Tourlaque en de Rue Steinlen. Hij sloot zich aan bij de groep schilders en schrijvers die samenkwamen in La Bateau-Lavoir in de Rue Ravignan. Daar leerde hij Max Jacob en de schilders Georges Braque, Kees van Dongen kennen. Op 21 maart 1907 bezocht de toekomstige kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler de Salon des Indépendants en kocht daar werken van Derain en van de Vlaminck. Na afloop van de Salon brachten Derain en Vlaminck de werken persoonlijk naar Kahnweiler. Op deze manier leerde Kahnweiler beide schilders kennen. Derain trouwde in oktober 1907 met Alice Géry, die eerder getrouwd was met Maurice Princet, model was en exminnares van Picasso. Ze gingen wonen in de Rue de Tourlaque 22, het postadres van Les Fusains, in de Parijse wijk Montmartre.
In 1907 werkte Derain samen met Picasso in Avignon en in 1910 ging hij met Picasso naar Spanje. In 1909 bracht Derain een deel van de zomer samen met Braque door in Carrières-Saint Denis. Hij exposeerde in de Salon des Indépendants van 1909. In 1910 werkte Derain samen met Picasso in Cadaqués en verhuisde Derain naar de Rue Bonaparte 13. Hij gaf een feest om de nieuwe atelierwoning in te wijden. Feestgangers waren o.a. Picasso en zijn vriendin Fernande Olivier, Apollinaire en zijn vriendin Marie Laurencin. Behalve op de Salon des Indépendants exposeerde Derain ook van 28 april t/m 28 mei 1910 in de galerie van Berthe Weill, in de Grafton Gallery te Londen en in München, Duitsland. In 1912 exposeerde Derain in de Grafton Gallery, Der Blaue Reiter in München en de Sonderbund te Keulen. Op de Armory Show, gehouden in de V.S. in 1913, had Derain drie schilderijen hangen. De kunsthandelaar Kahnweiler had drie schilderijen uitgeleend:
Le Pot bleu | 1911 | |
La Fôret à Martigues | 1908-1909 | Verkocht voor $ 378 |
La Fenêtre sur le parc | 1912 | Verkocht voor $ 486 |
De zomer van 1913 bracht Derain door in Vila Paradis te Martigues. Derain en Braque, die in Sorgues verbleef, brachten elkaar een bezoek. In de zomer van 1914 was Derain in Montfavet, een plaats in de buurt van Avignon, Picasso was in Avignon en Braque was in Sorgues, waar hij een huis had gehuurd, toen de Eerste Wereldoorlog ontbrandde. Picasso bracht de gemobiliseerde Derain en Braque naar de trein in Avignon. Derain vocht tussen 1914 en 1918 aan de Somme, de Aisne en in de Vogezen. Na zijn belevenissen aan het front maakte Derain deel uit van de bezettingsmacht in Mayence. Ondertussen had Derain van 15 t/m 21 oktober 1916 een expositie in de galerie van Paul Guillaume. Het voorwoord van de catalogus was geschreven door Apollinaire. Na de oorlog ging Derain realistische schilderen. In 1919 ontwierp hij het decor e.d. voor het ballet La Boutique fantasque van Serge Diaghilev. Op 5 juni was de uitvoering in Londen. Hij bestudeerde uitvoerig de klassieke schilders en legde zich na een reis naar Italië in 1921 toe op portretschilderen, maar schilderde ook landschappen.
In 1923 sloot Derain een contract met Paul Guillaume. In 1924 maakte Derain het decor voor Les Soirés de Paris van Gigues en in 1928 voor het ballet Jack in the Box van Comte Etienne de Beaumont. Later werd dit overgenomen door het Ballets Russes van Serge Diaghilev. In 1932 ontwierp Derain het decor en de kostuums voor het ballet La Concurrence, opgevoerd op 12 april in Monte Carlo. In 1933 verzorgde Derain het decor en de kostuums voor het ballet Songes, opgevoerd op 7 juni, en voor het ballet Fastes, opgevoerd op 10 juni in het Champs Elysées Theatre. In 1935 vestigde hij zich in Chambourcy. In 1936 deed Derain het decor en de kostuums van het ballet L'Epreuve d'amour, opgevoerd door het Ballets Russes op 4 april in Monte Carlo.
Een officieel bezoek aan Duitsland samen met o.a. Maurice de Vlaminck, André Dunoyer de Segonzac, Othon Friesz en Kees van Dongen in november 1941 zorgde voor grote problemen na de Tweede Wereldoorlog. In 1941 werd Derains zoon André geboren. In 1948 ontwierp Derain het decor en de kostuums voor Le Diable l'emporte van het Roland Petit Ballet dat op 1 juni werd opgevoerd in het Marigny Theater. In 1951 ontwierp Derain het decor en de kostuums voor The Rape from the Seraglio, dat in juli werd opgevoerd tijdens het Festival van Aix en Provence. In 1953 herhaalde hij dit voor The Barber of Seville. In 1953 werd zijn gezichtsvermogen zeer slecht, maar verbeterde daarna enigszins. Derain overleed op 8 september 1954 te Parijs/Chambourcy nadat hij kort daarvoor door een vrachtauto was aangereden.
Derain maakte tijdens zijn leven vele illustraties voor boeken. Als voorbeeld staat hiernaast een van de 128 houtsneden gemaakt voor Pantagruel van F. Rabelais, uitgegeven door Albert Skira in 1946 te Parijs.
Tik op nevenstaande knop voor werken van Derain. | |