Ossip Zadkine werd op 4 juli 1890 (=14 juli gregoriaanse kalender) geboren te Vitebsk, (Wit-Rusland). Zijn vader, Ephime Zadkine, gaf klassieke talen aan het seminariete Smolensk. Zijn moeder Sophie Lester was van Schotse afkomst en haar vader en broer woonden in Vitebsk. Zijn ouders, die elkaar ontmoet hadden in Leipzig waar zijn vader had gestudeerd, stuurden Ossip in 1905 naar familie in Sunderland, Noord-Engeland. Ossip reisde vanaf Smolensk met de trein naar Riga, waar hij op een schip stapte, dat via Rotterdam aankwam in Hull. Ossips verre neef John Lester in Sunderland liet hem 's avonds een kunstopleiding volgen, maar dat was door Ossips geringe kennis van het Engels geen succes. John Lester gaf Ossip beitels en zette hem aan het werk in zijn houtbewerkingsatelier. In 1907 ging Ossip naar Londen, waar hij aan de Art School en de Polytechnical School een opleiding volgde voor tekenaar en houtgraveur.
In de zomer van 1909 keerde Ossip op verzoek van zijn vader terug naar huis en na gesprekken met zijn vader vertrok hij in oktober 1909 op aanraden en met financiële steun van zijn vader naar Parijs. Hier studeerde hij slecht een half jaar aan de Ecole des Beaux-Arts. Zadkine, die eigenlijk Zadkin heette maar in Frankijk een e aan zijn naam toevoegde in verband met de uitspraak van zijn naam, bracht in 1910 opnieuw een bezoek aan Rusland. In zijn geboorteplaats ontmoette Ossip Marc Chagall.
Terug in Parijs in de herfst van 1910 huurde Zadkine een atelier in het ateliergebouw La Ruche, waar hij om ging met de andere bewoners zoals Fernand Léger, Alexander Archipenko en later Chagall. Samen met Archipenko slaagde hij er in de kubistische ideeën over te brengen op zijn beelden. Hij exposeerde op de Salon d'Automne en de Salon des Indépendants. In 1912 verhuisde Zadkine naar de rue de Vaugirard in Montparnasse. Daar ontmoette hij via zijn vriend Amadeo Modigliani Pablo Picasso, Henri Matisse, Léopold Survage, Guillaume Apollinaire, maar ook Constantin Brancusi, Lipchitz, Bourdelle en Robert Delaunay. De verzamelaar Paul Rodocanachi stelde Zadkine in 1914 in staat een atelier in de rue Rousselet 35 te huren.
Tijdens de 1ste wereldoorlog was hij vanaf begin 1915 als verpleger bij de Ambulance Russe en tolkvertaler vrijwilliger in het Franse Vreemdelingenlegioen. Tijdens een gewondentransport in 1916 werd Zadkine in de Champagnestreek gewond door gifgas. Na een langdurige behandeling in het ziekenhuis in de buurt van Epernay werd hij in oktober 1917 afgekeurd en keerde hij terug naar Parijs. Na de oorlog legde Zadkine zijn frontervaringen neer in een aantal etsen, die scherp geaccentueerd waren. Het kubisme interpreteerde hij op een eigen manier.
In juli 1918 vertrok Zadkine naar Bruniquel, een plaats bij Montauban, waar hij zowel in hout als in steen beeldhouwde. Hij had tijdens de oorlog gehoord, dat al zijn familie in Rusland tijdens de revolutie denkelijk vermist of overleden waren. Hij zou later uitsluitend zijn broer nog terug zien.
In het voorjaar van 1919 kwam boven Zadkine, die op de tweede etage woonde, in de Rue Rousselet de Algerijnse schilderes Valentine Prax (23/7/1897-1981) wonen. Voor 50 francs per maand huurde zij een met glas overdekt dakterras, zonder verwarming, gas en electriciteit. Via Zadkine kwam zij in aanraking met de vele kunstenaars rond Café La Rotonde en volgde zij lessen aan de Académie de la Grande Chaumière. In de zomer vertrok Zadkine voor enige maanden naar Bruniquel dankzij de verkoop van een serie tekeningen voor 350 francs via Léopold Zborowski. In de zomer van 1920 ging Zadkine opnieuw naar Bruniquel terwijl Valentine met het kunstenaarsechtpaar Tsugougharu Tsuguji Foujita en Fernande Barrey naar Collioure vertrok. Vanuit Bruniquel nodigde Zadkine Valentine uit om over trouwen te praten.
Daar Zadkine niet aan geboortepapieren kon komen moest hij met behulp van bevriende mensen uit Bruniquel aantonen, dat hij al lange tijd tot de gemeenschap behoorde. Dit werd geaccepteerd en op 14 augustus 1920 trouwde Zadkine met de Valentine Prax. Aanwezig waren (zoals te zien is op nevenstaande foto) de ouders van Valentine en het echtpaar Foujita. In hetzelfde jaar hield Zadkine een tentoonstelling in zijn atelier op Rue Rousselet 35. Hij exposeerde 49 beelden, 30 aquarellen en 30 tekeningen. Pas na deelname aan de exposities Oeuvres cubistes et neo-cubistes van het tijdschrift Sélection. Chronique de la vie artistique in Antwerpen en Brussel in 1920 kwam de verkoop van werken op gang. Dit kwam mede door André de Ridder (1888-1961), een van de voormannen van de Galerie Sélection, die Zadkine in België en Nederland promootte. Via André de Ridder, die ook kunstcriticus was, leerde het echtpaar Zadkine het kunstverzamelaarsechtpaar Jacob de Graaff en Louise Bachiene kennen. Vanaf 1929 woonden het echtpaar in het Zuid-franse Beaussiet (Les Landes)
Enkele jaren later kon Zadkine, mede door de verkoop van een beeld aan de Parijse schilderes Jacqueline Marval, een huis kopen in de Rue de Chantepleure te Caylus, een plaats bij Bruniquel. Tot 1933 brachten Zadkine en Valentine de zomers door in Caylus en de winters in Parijs.
In de jaren twintig ontwikkelde Zadkine, die in 1921 Fransman werd, zijn dynamische, geometrische stijl, afgeleid van het analytisch kubisme. In 1928 verhuisde het echtpaar Zadkine naar een atelierwoning achter de huizen van de rue d'Assas 100b. Ondanks dat het door de verkopen van werken van Valentine en Zadkine de armoede overwonnen was, was er niet voldoende geld om gezamenlijk een reis naar Griekenland te maken. Zadkine ging daarom alleen in 1931. Wel maakten zij samen een reis naar Noord-Italië. In 1933 had Zadkine zijn eerste solotentoonstelling in het Palais des Beaux Arts te Brussel. Behalve 139 beelden werden er 123 gouaches tentoongesteld.
Door het succes kon hij in 1934 een huis kopen in Les Arques-en-Quercy (Lot-et-Garonne), ter vervanging van het huis in Caylus, waar hij beelden uit grote bomen hakte. Het huis moest wel worden opgeknapt. In januari 1937 vertrok Zadkine naar New York, waar een expositie van zijn werken werd gehouden in de Brummer Gallery.
Bij het binnenvallen van Frankrijk door de Duitse troepen in mei 1940 was Zadkine in Parijs en Valentine in Les Arques. Met veel moeite slaagde Zadkine erin naar Les Arques te komen. Op 22 juni 1940 werd de tweedeling van Frankrijk in een noordelijk Duits bezettingsdeel en het zuidelijke Vrije zone van de regering Pétain een feit en waren de Zadkines van Parijs afgesneden. Amerkaanse vrienden, Sophie en Steven Greene drongen bij Zadkine aan om met hen naar Amerika te vertrekken. Het echtpaar Greene vertrok zonder Zadkine, maar liet wel geld voor de overtocht achter. Op 17 september 1941 vertrok Valentine naar Parijs om hun bezittingen veilig te stellen. Een aantal Beelden werd bij buren onder een laag kolengruis verborgen en voor de woning vond zij tijdelijke bewoners. Het contact tussen Valentine in Parijs en Zadkine in Les Arques verliep moeizaam. In begin december 1941 slaagde Valentine erin om via Mont-de-Marsan als z.g. verpleegster voor Jacob de Graaf de demarkatielijn over te steken. Valentine overtuigde Zadkine te vluchten. Na een groot aantal pogingen om een doorreisvisum voor Spanje te verkrijgen op het Spaanse consulaat te Marseille, lukte het met een gouache en steun van een Amerikaanse vertegenwoordiger van het Emergency Rescue Committee. Via Lissabon kwam Zadkine op 201 juni 1941 in New York aan. Zijn vrouw bleef achter in Frankrijk, waar zij hulp ontving van Jacob de Graaff.
In maart 1942 exposeerde Zadkine samen met veertien andere gevluchte kunstenaars (Artists in Exile), waaronder Max Ernst, Marc Chagall, Fernand Léger, Piet Mondriaan, Amédée Ozenfant, Jacques Lipchitz, bij Pierre Matisse, de zoon van Henri Matisse. Van 1941 tot 1945 leefde Zadkine in Arizona en New York, waar hij vanaf 1942 les gaf aan de Art Students League. Op 1 februari 1943 kreeg Zadkine de laatste brieven van Valentine, die zij in oktober en november 1942 geschreven had. Vanaf november 1942 was ook Zuid-Frankrijk in Duitse handen en was briefwisseling niet meer mogelijk tussen de echtlieden.
Na de bevrijding van Parijs op 24 augustus 1944 keerde Valentine terug naar Parijs en kwam voor een gesloten deur, daar de tijdelijke huurders van de atelierwoning weigerden het pand te verlaten. In september 1945 keerde Zadkine terug naar Frankrijk. Pas na jarenlange rechtzaken kon Zadkine zijn huis in de Rue d'Assas 100 bis weer betrekken. Tot die tijd verbleven zij in een klein huurkamertje met kookgelegenheid in Parijs en in Les Arques. Eerst kregen zij een deel terug en in 1956 ook de ateliers. Zadkine opende een privé-school onder de naam Association des Sculpteurs des Ateliers Zadkine in de Rue Notre-Dame-des-Champs 70b.
Vanaf 1947 tot 1958 gaf hij beeldhouwles aan de Académie de la Grande Chaumière te Parijs. Door zijn verblijf in de Verenigde Staten kwamen vele Amerikaanse leerlingen bij Zadkine in Parijs. De Nederlander Jan Wolkers was in 1957 een van zijn leerlingen. Schrijver Simon Vinkenoog stond om geld te verdienen in 1948 model bij Zadkines academie. Zadkine stierf op 25 november 1967 in het ziekenhuis van de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine en werd begraven op het kerkhof van Montparnasse. In 1982 werd een jaar na de dood van Zadkines vrouw Valentine Prax, die op 15 april 1981 overleed, de woning als Musée Zadkine, een van de 'Musée de la ville de Paris', door de burgemeester van Parijs, Jacques Chirac, geopend. Valentine werd ook begraven op de begraafplaats Montparnasse.
Zijn bekendste werk is het nevenstaande 'Verwoeste Stad' (1953) dat een herinnering is aan het bombardement van Rotterdam (14 mei 1940). Op 15 mei 1953 was de onthulling. Hij had in 1947 bij een bezoek aan Nederland de verwoestingen in Rotterdam gezien. Een ontwerp in klei genaamd Premier Project pour le monument à une ville détruite stuurde hij naar Berlijn voor de expositie Franse beeldhouwkunst van Rodin tot heden, maar het kwam in stukken terug. Dit bracht hem op het huidige open ontwerp.
In 1968 verscheen Zadkines autobiografie Le Maillet et Le Ciseau. Souvenirs de ma vie. Een oud leerling, Gaston-Louis Marchal die in de loop der jaren een huisvriend was geworden, hielp met de uitwerking van het boek en met de nalatenschap. Zadkines vrouw Valentine Prax schreef Avec Zadkine. Souvenirs de notre vie, dat in 1973 verscheen en waarvan een herdruk verscheen in 1995.
Zie ook de webpagina: Nederlanders en Zadkine.
| 1920 | Atelier rue Rousselet 35 te Parijs | . |
| 1925 | Galerie Barbazanges, Rue Boétie te Parijs. | 70 beelden |
| 1928 | Londen | . |
| 1933 | Brussel | 139 beelden, 98 gouaches en 17 tekeningen |
| april-juni 1948 | Stedelijk Museum te Amsterdam | 56 beelden |
| 1949 | Musée National d'Art Moderne te Parijs | overzichtstentoonstelling |
| november 1949- februari 1950 | Museum Boijmans te Rotterdam | Overzichttentoonstelling 1918-1949 |
| 1961 | Tate Gallery te Londen | . |
| juli-september 1962 | Gemeentemuseum Arnhem | 69 beelden, 27 gouaches en tekeningen. |
| 1965 | Kunsthaus Zürich | 129 beelden |
| januari-maart 1968 | Het Dinghuis te Deurne | 22 beelden, gouaches en tekeningen |
| september-november 1994 | Chabot Museum te Rotterdam | beelden |
| december 2000 - maart 2001 | Museum De Wieger te Deurne | Gouaches en beelden |
Zie voor uitgebreide informatie:
In 2001 verscheen van Hans Knap het boek Valentine Prax & Ossip Zadkine: portret van een kunstenaarshuwelijk met ISBN 90-6100-516-7 waarin vooral het accent lag bij Valentine Prax.
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Zadkine. | ![]() |