Francis Picabia (1879-1953).

François-Marie Martinez Picabia y Davanne werd op 22 januari 1879 te Parijs geboren. Zijn vader was een rijke Spanjaard, die attaché was aan de Cubaanse ambassade in Parijs, en zijn moeder Marie Cécile Davanne was Française. In 1878 waren zij getrouwd en woonden zij bij Maries ouders, de familie Davanne, in huis. Picabia's moeder stierf op 21 september 1886 en zijn vader hertrouwde later met Ernestine Patouillard. Zij kregen in 1902 een dochter Yvonne. De broer van zijn moeder, Maurice Davanne die later conservator werd van de Bibliothèque Sainte-Geneviève in Parijs, had op Picabia een kunstzinnige invloed. Op 16 jarige leeftijd begon Picabia te schilderen en bezocht hij eerst de École de Louvre (1895) en na een jaar de École des Arts Décoratifs (1896). Daarna volgde Picabia lessen bij Wallet, Cormon en op de Académie Humbert. Hij exposeerde vanaf 1899 t/m 1905, behalve in 1900, op de Salon des Artistes Français. Hij schilderde impressionistisch.

Ermine Orliac

In 1899 maakte Picabia met Ermine Orliac (1873?-1948) een reis naar Zwitserland en in 1902 met haar naar Sevilla. Picabia had ondertussen in 1900 zijn eerste auto gekocht. In 1903 nam Picabia deel aan de Salon d'Automne en de Salon des Indépendants. Ook in andere salons exposeerde Picabia zijn impressionistische schilderijen. In 1905 had hij van 10 t/m 25 februari zijn eerste zelfstandige tentoonstelling bij Galerie Haussmann te Parijs, waar Georges Danthon manager was. Danthon, die ook kunsthandelaar was, sloot een contract met Picabia, maar Picabia verbrak in 1908 zijn driejarig contract, daar hij een andere richting in wilde slaan. Door deze breuk kwam Picabia niet alleen in financiële problemen, maar ook geïsoleerd te staan van zijn kunstzinnige vrienden. Als compensatie voor het verbreken van het contract hield Danthon een verkoopveiling op 8 maart 1909 in Hôtel Drouot van ongeveer 100 werken.

Gaby en Francis Picabia in Sevilla, 1909

Zijn huwelijk op 27 januari 1909 met de componiste Gabrielle Buffet, die hij in september 1908 ontmoet had, was van belang voor zijn artistieke ontwikkeling. Zij had connecties in het avant-garde milieu. De huwelijksreis ging eerst naar Saint-Tropez en na een maand naar Sevilla. Door zijn vriendschap met Pierre Dumont exposeerde Picabia vanaf de eerste tentoonstelling van de Société Normande de Peinture Moderne in 1909. Het echtpaar Picabia bewoonde een atelierwoning in de Rue de Lille en op 18 januari 1910 werd dochter Laure Marie Cataline geboren. Tijdens de Salon d'Automne van 1910 ontmoette Picabia Marius de Zayas, die in verband met zijn werk voor het tijdschrift Camara Work in Parijs was. Op de Salon d'Automne van 1911, waar Picabia het schilderij Sur la Plage had hangen, werd Picabia door Pierre Dumont aan Marcel Duchamp voorgesteld. Via zijn vriendschap, vanaf midden 1911, met de gebroeders Duchamp, Gaston, Raymond en Marcel, kwam hij in aanraking met het kubisme, gevolgd door het dadaïsme en surrealisme.

In februari 1911 verhuisde het gezin Picabia van de Avenue Tourville 19 naar de Avenue Charles Floquet 32, waar op 28 februari 1911 Picabia's zoon Pancho Gabriel François werd geboren. Op de Salon des Indépendants van 1911 ontmoette Picabia via Apollinaire Albert Gleizes. Picabia nam deel aan de tentoonstelling 'Section d'Or' in 1912. In de voorbereidingen van deze tentoonstelling speelde Picabia een belangrijke rol, daar hij zijn huis aan de avenue Charles-Floquet beschikbaar stelde voor vergaderingen i.v.m. de tentoonstelling. Ook was hij bevriend met Apollinaire. Eind oktober 1912 brachten Picabia, Apollinaire en Duchamp een bezoek aan het ouderlijk huis van Picabia's vrouw in de Jura, waar Gabrielle al was.

In januari 1913 vertrok het gezin Picabia met de Lorraine vanuit Le Havre voor drie maanden naar New York om de Armory Show (17 februari- 15 maart), waar hij vier werken exposeerde, te bezoeken. Bovendien wilde Picabia een studio openen om de echte schildermethode te onderwijzen. Op 20 januari 1913 kwamen Picabia en Gabrielle aan in New York. Picabia werd in New York als de woordvoerder van de kubisten beschouwd en bij interviews was zijn vrouw tolk. Er stonden interviews in The New York Times (16 februari 1913), The New York Tribune (9 maart 1913) en in The New York American (30 maart 1913). Ook had hij van 17 maart t/m 5 april een tentoonstelling van 16 New Yorkse werken in de Galerie 291 van Alfred Stieglitz. Dertien werken van de tentoonstelling met als onderwerpen New York, Harlem, jazz en dans had Picabia in zijn hotelkamer in New York gemaakt. In mei 1913 keerde Picabia naar Parijs terug, waar op 18 juni 1913 zijn dochter Gabrielle Cécile, roepnaam Jeannine, werd geboren. In november 1913 brachten Picabia, Gabrielle en Marcel Duchamp voor het eerst een bezoek aan Gertrude Stein.

Gaby, Francis Picabia en de kinderen in Barcelona, 1916

Aan het begin van de eerste wereldoorlog werd Picabia chauffeur van de Franse generaal Boissons, die een oude vriend van zijn schoonvader was. Gabrielle ging het Rode Kruis helpen. Na de Duitse doorbraak verplaatste de regering zich naar Bordeaux en de generaal en zijn chauffeur ook. Met hulp van zijn oom werd Picabia op een militaire missie naar Cuba gestuurd i.v.m het inkopen van rietsuikerstroop. Op 27 mei 1915 vertrok Picabia met de Espagne naar New York, waar hij begin juni aankwam. In New York ontmoette hij zijn vriend Marcel Duchamp, die op 15 juni was aangekomen, en 'vergat' hij de missie en richtte samen met hem in l915 een Dada-groep op. Ook hielp Picabia Marius de Zayas met het tweede nummer van 291. Gabrielle, die de kinderen had achtergelaten in Gstaad, kwam denkelijk in oktober 1915 ook naar New York en haalde Picabia over toch naar Cuba te gaan. Na het afsluiten van de militaire missie in Cuba keerden Picabia en Gabrielle in december 1915 terug naar New York.


Zeer zeldzaam schilderij op de aarde Machine draait snel Meisje geboren zonder moeder

In New York maakte hij de bovenstaande schilderijen. Links het schilderij 'Zeer zeldzaam schilderij op aarde' (1915), in het midden 'Machine draait snel' (1916-1917) en rechts het schilderij 'Meisje geboren zonder moeder' (1917).

391

Voordat Picabia wegens het verlopen van zijn visa naar Europa zou terugkeren, zorgde hij via het Franse consulaat in New York ervoor dat hij wegens zijn gezondheid ontslagen werd uit militaire dienst. In juni 1916 kwamen de Picabia's en de rijke bankier Jacques Bordelongue vanuit New York met de Canopic naar Algeciras. De Picabia's vestigden zich in Barcelona. Terwijl Gabrielle naar Gstaad ging om de kinderen op te halen, bracht Picabia veel tijd door met Marie Laurencin. Via Laurencin kwam Picabia in contact met Josep Dalmau, de eigenaar van Galerie Dalmau. In september 1917 gingen Picabia en zijn vrouw Gaby Buffet tijdelijk uit elkaar. Picabia ging naar Spanje en Gaby naar haar kinderen in Frankrijk. In Barcelona richtte Picabia het tijdschrift 391 op. De titel verwees naar het tijdschrift 291 van Alfred Stieglitz. Na een kort verblijf in New York van 4 april tot 16 september 1917 keerde Picabia terug naar Barcelona, waar hij Dalmau het manuscript van Cinquante-deux miroirs overhandigde. Hierin stonden gedichten, die Picabia tussen 1914 en 1917 geschreven had. Dankzij de snelle werkwijze van de drukkerij Oliva de Vilanova kon het boek in november 1917 al worden uitgebracht.

Germaine Everling

In 1918 verbleef Picabia enige maanden in Zwitserland. Hij pendelde tussen zijn vrouw Gaby, die met de kinderen in Gstaad verbleef, en zijn nieuwe liefde Germaine Everling, die in Lausanne verbleef. Later was iedereen in hetzelfde hotel. Op 15 september 1919 werd bij Gaby Picabia's vierde kind (Vincent) geboren. Germaine verwachtte in januari een kind van Picabia. Toen hij in 1919 terugkeerde uit de V.S. werd hij in Parijs de leider van de Franse Dadaïsten, die in 1920 rond de schrijver André Breton was ontstaan. In 1924 ontwierp hij de enscenering voor het ballet Rêlache, dat op 4 december zijn eerste opvoering had in het Théâtre des Champs-Elysées door Ballets Suédois, en de aankleding voor de film Entr'acte, die tijdens de wisselingen werd getoond. Vanaf 1925 woonde hij aan de Côte d'Azur te Mougins, waar hij na een surrealistische periode rond 1927 overging op een academische stijl. Kenmerkend voor de periode tot 1933 waren schilderijen met daarover lijntekeningen.

Méreaud Guinness, Picabia, Olga Mohler, Germaine Everlings zoon Michel Corlin, Germaine Everlings en Lorenzo

Op 7 maart 1926 was er een veiling in Hôtel Drouot van 80 werken van Picabia. De verkoopcatalogus werd voorbereid door Henri Pierre Roché, een vriend van Duchamp. Ook op 31 mei 1926 vond een verkoop van 17 werken plaats om aan geld te komen. Het uitgaansleven aan de Côte d'Azur was prijzig. Bovendien brachten naast Germaine ook de dames Olga Mohler (1905-2002) en Méreaud Guinness (1904-1993) enige tijd door bij Picabia. Olga was afkomstig uit Zwitserland en het kindermeisje voor Lorenzo, maar werd spoedig de secretaresse van Picabia. Méreaud was een leerling van Picabia en de dochter van Sir Benjamin Guinnes, die vlakbij Picabia in Notre-Dame-de-Vie woonde. Zij schreef het voorwoord in de catalogus van Picabia's expositie in de Intimate Gallery te New York, die gehouden werd van 19 april t/m 11 mei 1928. Het was de eerste expositie in New York sinds 1915. In Frankrijk hield Picabia vele exposities.

Picabia en Olga bij Stein, 1932

In 1932 werd Germaine zich bewust dat haar plaats naast Picabia werd overgenomen door Olga Mohler en probeerde zij werk te vinden voor een onafhankelijk bestaan. Eind 1932 leefden Olga en Picabia samen. In september brachten zij een bezoek aan Zwitserland en op de terugweg naar Parijs brachten zij een bezoek aan Gertrude Stein en Alice B. Toklas in Bilignin. Kerstmis 1932 brachten Picabia en Olga door in Cannes, waar zij gezelschap kregen van Léonce Rosenberg en zijn vrouw.

Picabia en Olga op de Horizon II

In 1933 verliet Picabi zijn Château de Mai en ging hij met Olga wonen op zijn jacht Horizon II in de haven van Cannes. Germaine werkte als schrijfster en werkte in een kunstgalerie. Op 12 augustus 1933 werd Picabia's schilderijen verzameling openbaar verkocht. Hieronder waren schilderijen van Csaky, Herbin, Laurencin, Léger, Metzinger, Ozenfant en Survage. Ook de porceleincollectie werd verkocht en tenslotte in augustus 1935 het huis Château de Mai. Picabia en Olga verbleven in Parijs op Avenue du Bois 80 (nu Avenue Foch) en met hun jacht in Golfe-Juan. De schilderwerkzaamheden van Picabia werden vanaf 1933 langdurig ondermijnd door steenpuisten. Door een erfenis van zijn oom Maurice Davanne verkreeg Picabia een appartement in de Rue Danielle Casanova, waardoor Picabia en Olga de Avenue du Bois in 1937 verlieten.

In verband met de oorlogsdreiging van Duitsland verkocht Picabia in 1939 zijn jacht. Wel behield hij zijn atelier op de Boulevard de la Plage te Golfe-Juan. Tijdens een bezoek aan Olga's moeder in het Zwitserse Rubigen eind augustus 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit. In oktober 1939 keerden Picabia en Olga terug naar Golfe-Juan, maar verhuisden in mei 1940 naar Calamanne-sur-Lot. Op 14 juni 1940, de dag dat de Duitse troepen Parijs binnen marcheerden, trouwden Picabia en Olga om Olga een Frans paspoort te geven.

Picabia: Tekening van Zon Romain, 28-11-1943

Tijdens het oudejaarsfeest 1940 bij Paul en Madeleine Frantz-Namur in Juan-les-Pins ontmoette Picabia de aantrekkelijke en getrouwde Zon (Suzanne) Romain. De twee echtparen gingen daarna herhaaldelijk samen op stap. In februari 1941 verhuisden de Picabia's naar Camassade, een gehucht bij Tourettes-sur-Loup, maar keerden spoedig naar Golfe-Juan terug. Zij betrokken een huisje op Les Orangers. Picabia schilderde vanaf 1941 hoofdzakelijk realistische portretten en naakten, wat later kitsch zou worden genoemd. In november 1941 werden de bewoners van de kust bij Cannes geëvacueerd en de Picabia's betrokken enige tijd een flat in Camassade. Terug in Les Orangers boden zij onderdak aan de uit Parijs gevluchte echtpaar Henri Goetz en Christine Boumeester. Op 10 augustus 1944 werd de kust bij Golfe-Juan gebombardeerd en begon een periode van onzekerheid. Terwijl Picabia in het ziekenhuis lag werd Olga vanaf 30 september 1944 twee maanden lang gevangen gehouden in Grasse.

In januari 1945 vestigden Picabia en Olga zich in Picabia's geboortehuis in de Rue Danielle Casanova te Parijs. 's Zomers brachten zij jaarlijks een bezoek aan het Zwitserse Rubigen. Vanaf 1945 schilderde Picabia min of meer abstract, maar had het financieel erg moeilijk. Op 13 december 1947 overleed plotseling Picabia's zoon Vicente. In maart 1949 had Picabia een retrospectieve expositie in de Galerie René Drouin te Parijs. Picabia overleed op 30 november 1953 te Parijs in het huis waar hij ook was geboren, n.l. Rue Danielle Casanova 26 (voor de 2de wereldoorlog een deel van de Rue des Petits-Champs).

binnenkant catalogus 1954 voorkant catalogus 1954, Montgolfière

Op 6 december 1953 opende in de Rose Fried Gallery, East 65th Street 6 te New York, de expositie Marcel Duchamp/Francis Picabia. De catalogus, ontworpen door Duchamp, bestond slechts uit een gevouwen blad met op de voorkant een afbeelding van het rotoreliëf Montgolfière, een van beneden af gezien hete luchtballon, en op de achterkant een afbeelding van Picabia's portret van Apollinaire als machinist.

Germaine Everling overleed in juli 1976. Olga Picabia-Mohler stichtte in 1990 Le Comité Picabia om o.a. een volledig overzicht van alle door Picabia gemaakte werken te inventariseren en op foto vast te leggen. Op 23 september 2002 overleed Olga. Ook Picabia's kleindochter Laure Montet is lid van Le Comité Picabia.

Zie voor uitgebreide informatie:

  • Picabia, geschreven door Maria LLuïsa Borràs, Londen 1985. Maria LLuïsa Borràs is lid van de stichting Le Comité Picabia.
  • De officiële website van Picabia: www.picabia.com, waarop gekozen kan worden uit het Frans of het Engels.
Tik op nevenstaande knop voor werken van Picabia.