Ondanks dat Piet Mondriaan nooit getrouwd is geweest zijn er enkele vrouwen die een min of meer belangrijke rol in zijn leven hebben gespeeld. In het algemeen is er weinig bekend van deze vrouwen. Dit komt denkelijk mede doordat Mondriaan alle zeer persoonlijke correspondentie vernietigde en dit ook aan zijn vrienden vroeg.
Marie Simons was in de periode 1908-1910 in ieder geval bevriend met Piet Mondriaan. Beiden hielden zich bezig met de theosofische levenshouding. Mondriaan was op 14 mei 1909 lid geworden van de Nederlandse afdeling van de Theosofische Vereniging. Marie stond model voor de onderstaande aquarel Passiebloem uit 1908 die Mondriaan op papier maakte. Ook de figuur van het drieluik Evolutie uit 1910-1911 had gezichtskenmerken van Marie.
Naar aanleiding van een tentoonstelling bij Walrecht in Den Haag in juni-juli 1914 kocht mevrouw Kröller haar eerste schilderij van Piet Mondriaan, n.l. Compositie in lijn en kleur uit 1912-1913. Tussen 1913 en 1920 zou mevrouw Kröller negen belangrijke schilderijen van Piet Mondriaan kopen. In 1915 kocht mevrouw Kröller via de kunstcriticus H.P. Bremmer het werk Compositie 10 in zwart-wit van Piet Mondriaan. Het was het enige schilderij dat Mondriaan in 1915 had gemaakt. In 1916 zorgde de kunstcriticus Steenhoff via Bremmer ervoor dat Mevrouw Kröller-Müller een jaarlijkse toelage van 600 gulden aan Mondriaan schonk met als tegenprestatie vier werken van Mondriaan. Ze vormen nu een belangrijk onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo.
Mondriaan was verloofd met Greta Heybroek, maar verbrak in 1911 vlak voor zij zouden gaan trouwen de verloving. In een brief aan Aletta de Jong, een vriendin, schreef Mondriaan: 'Je hebt zeker ook wel gehoord dat ik in 't najaar bijna getrouwd was maar gelukkig nog tijdig zach dat 't slechts een illusie was, al dat mooie.'.
Eva ontmoette Piet Mondriaan in 1909. In haar dagboek beschreef zij haar bezoek aan zijn atelier op het adres Sarphatipark 42 te Amsterdam. Ze gingen samen uit, maar Eva's ouders zagen niets in de relatie tussen de tweeëntwintig jarige Eva en de zevenendertig jarige arme kunstenaar Mondriaan. Eva vergezelde Mondriaan ook bij het buiten schilderen. Na de zomer van 1910 eindigde de relatie, daar Mondriaan naar Parijs vertrok.
![]() | Mondriaan maakte nevenstaande houtskool tekening van Eva. Later trouwde Eva met de toneelspeler Paul Huf. Samen met haar man bracht Eva later nog een bezoek aan Mondriaan, toen deze in Parijs woonde. Uit Eva's huwelijk werd dochter Emmy en de later zeer bekende fotograaf Paul Huf geboren. |
In de zomer van 1924 schreven de kunstenaars Hans Arp (1887-1966) en El Lissitzky (1890-1941) Mondriaan aan in verband met het boek Kunst-Ismen, waarmee zij bezig waren. De weduwe Sophie Küppers, die in 1927 met Lissitzky in Moskou zou trouwen, gaf Mondriaan in overweging om aan haar werken uit te lenen, die zij in Duitsland zou proberen te verkopen. Mondriaan ging hierop in en eind 1924 had Küppers al minstens drie verkocht, o.a. een aan Alexander Dorner voor het Landesmuseum in Hannover. In april 1925 vroeg Küppers opnieuw naar schilderijen en in mei 1925 kwam Küppers vanauit Dresden naar Parijs om met Mondriaan een voorgenomen tentoonstelling te bespreken. ook Léger en Man Ray zouden deel uit maken van de tentoonstelling. In september 1925 werd op aanraden van Küppers in de galerie Kühl und Kühn te Dresden een tentoonstelling voor werken van Mondriaan en Man Ray georganiseerd. Van de 12 werken werden er 2 verkocht, waarvan één aan de verzamelaarster Ida Bienert uit Dresden. De ander aan haar zoon Friedrich Bienert en schoondochter Gret Palucca. De expositie werd daarna in januari 1926 herhaald en uitgebreid met werken van El Lissitzky in Galerie Goltz te München.
In juni 1926 ontving Küppers twee schilderijen van Mondriaan, die van 22 mei t/m 20 juni tentoon waren gesteld op De Onafhankelijken in het Stedelijk Museum. In januari 1927 leverden Küppers en galerie Kühl werken van Mondriaan aan de van 30 januari t/m 27 maart 1927 gehouden tentoonstelling Wege und Richtungen der Abstrakte Malerei in Europa in de Städtische Kunsthalle van Mannheim. In september 1928 bracht het echtpaar Lissitzky-Küppers een tweeweeks bezoek aan Parijs, waar zij met Mondriaan huizen van Le Corbusier bekeken. Op de terugweg verkocht Küppers een werk van Mondriaan aan het Museum Folkwang in Essen, dat in 1937 door de Nazi's in beslag werd genomen.
Küppers volgde haar echtgenoot Lissitzky naar Moskou, waar hij tot 1930 les gaf aan VKhUTEMAS. Haar verzameling kunstwerken van Kandisky, Klee, Grosz, Mondriaan, Léger en anderen gaf zij in bruikleen aan het Landesmuseum in Hannover. Op 12 oktober 1930 werd hun zoon Jen geboren. Lissitzky maakte als geboortekaartje de nevenstaande fotomontage. Na de dood van Lissitzky op 30 december 1941 aan tuberculose, waarvoor hij al eerder in 1924 in Zwitserland onder behandeling was geweest, en de inval van Duitsland werden zijn weduwe en zoon door het Stalinregime in 1944 verbannen naar Nowosibirsk in Siberië. Haar zoon Jen zou na zijn vertrek uit de Sovjet Unie in 1989 met een door zijn moeder vlak voor haar dood in 1978 geschreven lijst op zoek gaan naar de dertien verdwenen werken. In 2002 verscheen van Ingeborg Prior het boek Die geraubten Bilder. Die abenteuerliche Geschichte der Sophie Lissitzky-Küppers und ihrer Kunstsammlung, dat de zoektocht beschreef.
De schilderes en vooral fotografe Florence Henri behoorde rond 1930 zeer zeker tot de vriendenkring van Mondriaan. Er zijn vele foto's bekend waar zij en Mondriaan opstaan.
Op nevenstaande foto (rechts), die genomen is na 1928, zit Florence Henri vooraan in het atelier van Mondriaan, die rechts zit. Tussen hen in zitten o.a. de Belg Michel Seuphor en Vantongerloo.
Hiernaast een foto, die genomen is in 1929 in het atelier van Mondriaans vriend, de Belg Michel Seuphor, die officieel F.L. Berckelaers heette. Naast Mondriaan zit Florence met de arm op Mondriaan. Van links naar rechts zitten de beeldhouwer-schilder Vantongerloo, de schilder Torrès-Garcia, Mondriaan, Florence Henri, mevrouw Vantongerloo en de IJslandse schilderes Bjarnasson, de vriendin van Seuphor. Staand een onbekende architect. In april 1923 was Seuphor (1895- ) voor zijn culturele tijdschrift Het Overzicht naar Parijs gekomen om een aantal kunstenaars te interviewen. Hij bezocht in acht dagen Delaunay, Cocteau, Picasso, Brancusi, Ozenfant, Céline, Tzara, Léger en als laatste Mondriaan. Nadat hij in Antwerpen zijn tijdschrift Het Overzicht had klaargemaakt vertrok Seuphor weer naar Parijs om Mondriaan opnieuw te bezoeken. Het was het begin van een lange vriendschap. In 1925 vestigde Seuphor zich definitief in Parijs. Seuphor was samen met Torrès-Garcia de oprichter van het blad Cercle et Carré.
Op nevenstaande foto, die een combinatie is van twee foto's en genomen is in restaurant Voltaire te Parijs in 1930, zien we van links naar rechts: Robert Delaunay, Jean Arp, Stazewski, Florence Henri, Michel Seuphor, ?, Brzekowski, mevrouw Vantongerloo, mevrouw Werner, Werner, Sophie Taeuber-Arp, Piet Mondriaan en Sonia Delaunay-Terk. Dit was een van de vele bijeenkomsten die leidde tot de oprichting van de kunstenaarsvereniging Abstraction-Création in 1931.
In 1935 kreeg Mondriaan last van reumatische pijnen in zijn voeten en zijn rug. Hij werd ernstig ziek en een oude vriendin uit Nederland, Frieda Siemon, verzorgde hem lange tijd. Het duurde enige maanden voordat Mondriaan weer kon schilderen.
In 1926 ontmoette Mondriaan de Amerikaanse Katherine Sophie Dreier. Zij was in Europa om werken te verzamelen voor de grote tentoonstelling International Exhibition of Modern Art, die gehouden zou worden in het Brooklyn Museum in New York. Mondriaan leende twee werken voor deze expositie uit. Via Katherine Dreier ontmoette Mondriaan o.a. Marcel Duchamp en de beeldhouwer en ontwerper Frederik Kiesler. In Modern Art, de catalogus van de tentoonstelling van de Société Anonyme (november/december 1926) schreef Dreier dat Nederland drie grote schilders had voortgebracht, n.l. Rembrandt, van Gogh en Mondriaan.
op 22 april 1941 ontmoette Mondriaan, die vanaf 1 oktober 1940 in New York woonde, de kunstrecensente en schilderes Charmion von Wiegand. Zij zocht hem op om een artikel over hem te schrijven voor het tijdschrift Living Age. Op 5 juni bezocht zij hem opnieuw. Zij werden bevriend en Charmion hielp Mondriaan met het vertalen van zijn artikelen in het Engels. In juni 1941 gaf zij een feest ter ere van Mondriaan, waar Mondriaan o.a. Stuart Davis ontmoette. In het najaarsnummer van The Journal of Aesthetics and Art Criticism, uitgegeven in september 1943, verscheen het door Von Wiegand geschreven artikel The Meaning of Mondrian.
Toen op 26 januari 1944 Fritz Glarner Mondriaan ernstig ziek in zijn atelier aantrof werd ook von Wiegand erbij geroepen. Zij was op 17 januari nog bij hem geweest en gezien dat het schilderij Victory Boogie Woogie bijna af was, maar nu zag zij dat Mondriaan het werk sinds die dag had vernieuwd. Mondriaan werd met de ambulance naar het Murray Hill Hospital gebracht. Op 1 februari 1944 zat zij samen met Harry Holtzmann, de schilder Fritz Glarner, Hans Richter en Sweeney aan het sterfbed van Mondriaan. Op 3 februari 1944 was Charmion von Wiegand een van de ongeveer 200 personen die de herdenkingsdienst in de Universal Chapel bijwoonde.
In New York ontmoette Mondriaan vele oude bekenden uit zijn Parijse tijd. Naast de vele surrealisten, zie onderstaande foto, ontmoette hij o.a. Peggy Guggenheim, die hij ook uit zijn Parijse periode kende. In mei 1942 gaf zij het boek Art of This Century uit waarin haar collectie, behalve de laatste dertig gekochte werken, beschreven werd. Piet Mondriaan schreef het voorwoord van dit boek. Ook vroeg zij Mondriaan zitting te nemen in de jury voor een van de door haar georganiseerde exposities.
Op nevenstaande foto zien we van links naar rechts op de eerste rij: Matta, Ossip Zadkine, Yves Tanguy, Max Ernst, Marc Chagall, Fernand Léger. Op de tweede rij: André Breton, Piet Mondriaan, André Masson, Ozenfant, Jacques Lipchitz, Tsjelitsjev, Kurt Seligmann en Eugène Berman.
De financiële situatie van Mondriaan was in de jaren twintig zeer slecht. Hij verkocht geen enkel schilderij. De schilderes Mies Elout-Drabbe steunde Mondriaan door af en toe 25 gulden aan hem te sturen.
Mies Drabbe werd geboren in 1875 te Utrecht. In 1895 vestigde het gezin Drabbe zich in Domburg. Mies kreeg schilderles van de Middelburgse zeeschilder W.J. Schütz en bezocht de kunstacademie in Den Haag. Mies trouwde op 21 mei 1902 met Paul Elout (1873-1956), die in 1903 directeur van de Domburgse Zeebadinrichting werd. In 1911 steunde de familie Elout het initiatief van de schilder Jan Toorop om een tentoonstellingsgebouw te openen in Domburg. Mies Elout-Drabbe hielp Toorop bij de organisatie van de tentoonstellingen van 1911 tot 1921. In het tentoonstellingsgebouwtje hingen 's zomers werken van o.a. Jan Toorop, Charley Toorop, Piet Mondriaan, Jacoba van Heemskerck. Deze kunstenaars verbleven ook bij de kunstverzamelaarster, antroposofe en landbouwpionierster Marie Tak van Poortvliet (1871-1936), die woonde op het landgoed 'Loverendale'. In Mies' werk is de invloed van Toorop en Mondriaan te zien, nadat zij eerst pointillistische landschappen en dorpsgezichten maakte.
Na de dood van Mies' zoon Frans Elout in 1994 werd zijn bezit, een veertigtal schilderijen en ongeveer 300 werken op papier, beschikbaar gesteld om als geheel getoond te worden.
Van 20 juni t/m 7 november 2004 werd in het Marie Tak van Poortvliet Museum te Domburg de tentoonstelling Moen! Tussen Toorop en Mondriaan gehouden in het in 1994 herbouwde tentoonstellingsgebouwtje dat in 1922 verloren ging. Het oorspronkelijk gebouwtje stond bij het strand tegenover het Badpaviljoen. Het nieuwe gebouw staat in het centrum van Domburg.
Maaike Middelkoop was getrouw met de concertpianist en componist Jacob van Domselaer (15/4/1890-5/1/1960), die in Utrecht en Berlijn had gestudeerd. In 1915 en 1916 huurde Mondriaan een kamer bij de familie van Domselaer in Laren en ontdekte hij een gelijkgestemde musicus. In 1916 verhuisde de familie van Domselaer naar Huize Meerhuizen, waar vele kunstenaars tesamen woonden. Daar kwam eind 1916 ook Charley Toorop en haar kinderen wonen. Op 1 november 1916 verhuisde de familie Domselaar naar Amsterdam en in 1920 vestigde de familie zich in Bergen. Mevrouw van Domselaer schonk Piet Mondriaan in zijn arme Parijse tijd geregeld 40 gulden om in zijn levensonderhoud te voorzien. In 1968 verscheen van Maaikes hand de publicatie Overzicht over leven en werken van Jakob van Domselaer.
In Parijs ging Mondriaan om met Tonia Stieltjes (1881-1932), de echtgenote van de ingenieur Wim Stieltjens (1887-1966). Hij had een uitvinding gedaan, maar kreeg niet voldoende financiën. Vanaf 1919 woonde de familie Stieltjes in Parijs. Tonia had zelfs model gestaan voor Jan Sluijters. Toen zij in 1932 stierf schreef Mondriaan aan zijn vriend Arthur Lehning op 22 december 1932: In Parijs heb ik nu niemand meer. Volgens een andere vriend van Mondriaan, Albert van den Briel, was zij een van de weinigen die de denkbeelden van Mondriaan kon volgen.