Ondanks dat Piet Mondriaan nooit getrouwd is geweest zijn er vele vrouwen die een min of meer belangrijke rol in zijn leven hebben gespeeld. In het algemeen is er weinig bekend van deze vrouwen. Dit komt denkelijk mede doordat Mondriaan alle zeer persoonlijke correspondentie vernietigde en dit ook aan zijn vrienden vroeg.
Op nevenstaande foto uit ongeveer 1906 staat Mondriaan naast de koopmansdochter Greta Heybroek. Denkelijk was zij voor tekenlessen bij Mondriaan terecht gekomen. In 1907 maakte zij samen met Mondriaan, de schilder Simon Maris (1873-1935) en denkelijk zijn latere vrouw Noortje een reis naar Spanje. Op nevenstaande foto staan zij op een kade in Bordeaux.
Mondriaan was verloofd met Greta Heybroek, maar verbrak in 1911 vlak voor zij zouden gaan trouwen de verloving. In een brief aan Aletta de Jong, een vriendin, schreef Mondriaan: 'Je hebt zeker ook wel gehoord dat ik in 't najaar bijna getrouwd was maar gelukkig nog tijdig zach dat 't slechts een illusie was, al dat mooie.'.
Marie Simons was in de periode 1908-1910 in ieder geval bevriend met Piet Mondriaan. Beiden hielden zich bezig met de theosofische levenshouding. Mondriaan was op 14 mei 1909 lid geworden van de Nederlandse afdeling van de Theosofische Vereniging. Marie stond model voor de onderstaande aquarel Passiebloem uit 1908 die Mondriaan op papier maakte. Ook de figuur van het drieluik Evolutie uit 1910-1911 had gezichtskenmerken van Marie. Volgens Coos Versteeg in zijn boek Mondriaan een leven in maat en ritme uit 1988 stond Agaath Zethraeus voor het drieluik model.
Naar aanleiding van een tentoonstelling bij Walrecht in Den Haag in juni-juli 1914 kocht mevrouw Kröller haar eerste schilderij van Piet Mondriaan, n.l. Compositie in lijn en kleur uit 1912-1913. Tussen 1913 en 1920 zou mevrouw Kröller negen belangrijke schilderijen van Piet Mondriaan kopen. In 1915 kocht mevrouw Kröller via de kunstcriticus H.P. Bremmer het werk Compositie 10 in zwart-wit van Piet Mondriaan. Het was het enige schilderij dat Mondriaan in 1915 had gemaakt. In 1916 zorgde de kunstcriticus Steenhoff via Bremmer ervoor dat Mevrouw Kröller-Müller een jaarlijkse toelage van 600 gulden aan Mondriaan schonk met als tegenprestatie vier werken van Mondriaan. Ze vormen nu een belangrijk onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo.
Eva ontmoette Piet Mondriaan in 1909. In haar dagboek beschreef zij haar bezoek aan zijn atelier op het adres Sarphatipark 42 te Amsterdam. Ze gingen samen uit, maar Eva's ouders zagen niets in de relatie tussen de tweeëntwintig jarige Eva en de zevenendertig jarige arme kunstenaar Mondriaan. Eva vergezelde Mondriaan ook bij het buiten schilderen. Na de zomer van 1910 eindigde de relatie, daar Mondriaan naar Parijs vertrok.
![]() | Mondriaan maakte nevenstaande houtskool tekening van Eva. Later trouwde Eva met de toneelspeler Paul Huf. Samen met haar man bracht Eva later nog een bezoek aan Mondriaan, toen deze in Parijs woonde. Uit Eva's huwelijk werd dochter Emmy en de later zeer bekende fotograaf Paul Huf geboren. |
In de zomer van 1924 schreven de kunstenaars Hans Arp (1887-1966) en El Lissitzky (1890-1941) Mondriaan aan in verband met het boek Kunst-Ismen, waarmee zij bezig waren. De weduwe Sophie Küppers, die in 1927 met Lissitzky in Moskou zou trouwen, gaf Mondriaan in overweging om aan haar werken uit te lenen, die zij in Duitsland zou proberen te verkopen. Mondriaan ging hierop in en eind 1924 had Küppers al minstens drie verkocht, o.a. een aan Alexander Dorner voor het Provinzial-Museum in Hannover. In april 1925 vroeg Küppers opnieuw naar schilderijen en in mei 1925 kwam Küppers vanauit Dresden naar Parijs om met Mondriaan een voorgenomen tentoonstelling te bespreken. Ook Fernand Léger en Man Ray zouden deel uit maken van de tentoonstelling. In september 1925 werd op aanraden van Küppers in de galerie Kühl und Kühn te Dresden een tentoonstelling voor werken van Mondriaan en Man Ray georganiseerd. Van de 12 werken werden er 2 verkocht, waarvan één aan de verzamelaarster Ida Bienert uit Dresden. De ander aan haar zoon Friedrich Bienert en schoondochter Gret Palucca. Volgens een brief van Mondriaan aan de architect Oud hing de danseres Palucca het werk in haar dansstudio op een zeer opvallende plaats. De expositie werd daarna in januari 1926 herhaald en uitgebreid met werken van El Lissitzky in Galerie Goltz te München.
In juni 1926 ontving Küppers twee schilderijen van Mondriaan, die van 22 mei t/m 20 juni tentoon waren gesteld op De Onafhankelijken in het Stedelijk Museum. In januari 1927 leverden Küppers en galerie Kühl werken van Mondriaan aan de van 30 januari t/m 27 maart 1927 gehouden tentoonstelling Wege und Richtungen der Abstrakte Malerei in Europa in de Städtische Kunsthalle van Mannheim. In september 1928 bracht het echtpaar Lissitzky-Küppers een tweeweeks bezoek aan Parijs, waar zij met Mondriaan huizen van Le Corbusier bekeken. Op de terugweg verkocht Küppers een werk van Mondriaan aan het Museum Folkwang in Essen, dat in 1937 door de Nazi's in beslag werd genomen.
Küppers volgde haar echtgenoot Lissitzky naar Moskou, waar hij tot 1930 les gaf aan VKhUTEMAS. Haar verzameling kunstwerken van Kandisky, Klee, Grosz, Mondriaan, Léger en anderen gaf zij in bruikleen aan het Landesmuseum in Hannover. Op 12 oktober 1930 werd hun zoon Jen geboren. Lissitzky maakte als geboortekaartje de nevenstaande fotomontage. Na de dood van Lissitzky op 30 december 1941 aan tuberculose, waarvoor hij al eerder in 1924 in Zwitserland onder behandeling was geweest, en de inval van Duitsland werden zijn weduwe en zoon door het Stalinregime in 1944 verbannen naar Nowosibirsk in Siberië. Haar zoon Jen zou na zijn vertrek uit de Sovjet Unie in 1989 met een door zijn moeder vlak voor haar dood in 1978 geschreven lijst op zoek gaan naar de dertien verdwenen werken. In 2002 verscheen van Ingeborg Prior het boek Die geraubten Bilder. Die abenteuerliche Geschichte der Sophie Lissitzky-Küppers und ihrer Kunstsammlung, dat de zoektocht beschreef.
Rond 1925 kreeg Mondriaan in Parijs veel bezoek uit Nederland, waaronder de socialiste Frieda Siemon. In 1935 kreeg Mondriaan last van reumatische pijnen in zijn voeten en zijn rug. Hij werd ernstig ziek en op een avond belde Frieda aan. Zij had jarenlang in Berlijn bij een bank gewerkt en was overgeplaatst naar Parijs en zocht hem op. Aangedaan door de zieke Mondriaan kwam zij daarna elke dag na het werk even langs om hem te verzorgen. Half juni 1935 meldde Mondriaan aan vrienden, dat het beter met hem ging en Frieda niet meer langs kwam om hem te verzorgen. Het duurde enige maanden voordat Mondriaan weer kon schilderen.
In 1926 ontmoette Mondriaan de Amerikaanse Katherine Sophie Dreier. Zij was in Europa om werken te verzamelen voor de grote tentoonstelling International Exhibition of Modern Art, die gehouden zou worden in het Brooklyn Museum in New York. Mondriaan leende twee werken voor deze expositie uit. Via Katherine Dreier ontmoette Mondriaan o.a. Marcel Duchamp en de beeldhouwer en ontwerper Frederik Kiesler. In Modern Art, de catalogus van de tentoonstelling van de Société Anonyme (november/december 1926) schreef Dreier dat Nederland drie grote schilders had voortgebracht, n.l. Rembrandt, van Gogh en Mondriaan.
De schilderes en vooral fotografe Florence Henri behoorde rond 1930 zeer zeker tot de vriendenkring van Mondriaan gezien de foto's waarop zij en Mondriaan samen staan.
Op nevenstaande foto (rechts), die genomen is na 1928, zit Florence Henri vooraan in het atelier van Mondriaan, die rechts zit. Tussen hen in zitten o.a. de Belg Michel Seuphor en Vantongerloo.
Hiernaast een foto, die genomen is in 1929 in het atelier van Mondriaans vriend, de Belg Michel Seuphor, die officieel F.L. Berckelaers heette. Naast Mondriaan zit Florence met de arm op Mondriaan. Van links naar rechts zitten de beeldhouwer-schilder Vantongerloo, de schilder Torrès-Garcia, Mondriaan, Florence Henri, mevrouw Vantongerloo en de IJslandse schilderes Bjarnasson, de vriendin van Seuphor. Staand een onbekende architect. In april 1923 was Seuphor voor zijn culturele tijdschrift Het Overzicht naar Parijs gekomen om een aantal kunstenaars te interviewen. Hij bezocht in acht dagen Robert Delaunay, Jean Cocteau, Pablo Picasso, Brancusi, Amédée Ozenfant, Céline Arnauld, Tzara, Fernand Léger en als laatste Piet Mondriaan. Nadat hij in Antwerpen zijn tijdschrift Het Overzicht had klaargemaakt vertrok Seuphor weer naar Parijs om Mondriaan opnieuw te bezoeken. Het was het begin van een lange vriendschap. In 1925 vestigde Seuphor zich definitief in Parijs. Seuphor was samen met Torrès-Garcia de oprichter van het blad Cercle et Carré.
Op nevenstaande foto, die een combinatie is van twee foto's en genomen is in restaurant Voltaire te Parijs in 1930, zien we van links naar rechts: Robert Delaunay, Jean Arp, Stazewski, Florence Henri, Michel Seuphor, ?, Brzekowski, mevrouw Vantongerloo, mevrouw Werner, Werner, Sophie Taeuber-Arp, Piet Mondriaan en Sonia Delaunay-Terk. Dit was een van de vele bijeenkomsten van de kunstenaarsvereniging Abstraction-Création, die in 1931 was opgericht.
In 1933 ontmoette Mondriaan via de in 1931 opgerichte kunstenaarsvereniging Abstraction Création het Engelse kunstenaarsechtpaar Ben Nicholson (10/4/1894-6/2/1982) en Winifred Roberts. Het echtpaar, dat op 5 november 1920 getrouwd was, leefde echter vanaf 1931 gescheiden. Winnifred, die op 21 december 1893 was geboren, leefde met hun drie kinderen (Jake [1927], Kate [1929] en Andrew [1931]) vanaf eind 1932 in Parijs. Ook de beeldhouwster Barbara Hepworth (1903-1975) maakte deel uit van het gezelschap. Nadat Ben officieel gescheiden was van Winifred in 1938, trouwde hij op 17 november 1938 met Barbara, waar hij sinds 1933 mee samenleefde. In 1934 kregen Ben en Barbara de drieling Sarah, Rachel en Simon.
Via Winifred kwam Mondriaan in 1936 in contact met Nicolette Gray (1911-1997), die de tentoonstelling Abstract and Concrete ging organiseren in Oxford, Liverpool, Cambridge en Londen. Mondriaan verkocht twee van de drie tentoongestelde schilderijen. In verband met de toenemende dreiging van de Tweede Wereldoorlog besloot Mondriaan Frankrijk te verlaten. Op 21 september 1938 ging Mondriaan samen met Winifred met de trein naar Calais om daar de veerboot naar Engeland te nemen. Aangekomen in Londen meldde Mondriaan aan de daar aanwezige vrienden, dat hij op weg was naar Amerika. Met brieven aan Harry Holtman, Frederick Kiesler en Jean Hélion probeerde Mondriaan een uitnodiging voor de V.S te krijgen om makkelijker aan een visum te komen. Na een kort verblijf in een hotel zorgde Ben Nicholson ervoor dat Mondriaan een appartement kon huren bij hem in de buurt. Ben woonde met de beeldhouwster Barbara Hepworth (1903-1975) in de Londense voorstad Hampstead. Mondriaan kwam te wonen op de begane grond van Parkhill Road 60. Ben Nicholson had in de tuin achter het huis een atelier. In de buurt woonden vele andere kunstenaars, o.a. Naum Gabo en zijn vrouw Miriam Israels, de beeldhouwer Henri Moore en zijn vrouw Irina, maar ook de kunsthistoricus Herbert Read.
Mondriaan schreef vele brieven aan Winifred, waarin hij duidelijk liet weten, dat hij haar gezelschap mistte. Volgens Nicolette Gray was er uitsluitend een zeer hartelijke vrienschappelijke band tussen beiden. Na het uitbreken van de oorlog op 3 september 1939 verlieten velen de stad. Winifred vroeg Mondriaan om naar Cumberland te komen, maar hij weigerde, daar hij de hoop had om naar Amerika te gaan. Op 26 juni 1940 kreeg Mondriaan een stempel in zijn Nederlandse paspoort, dat hij toestemming had het land te verlaten. Op 2 september kreeg Mondriaan een uitreis visum en op 23 september verliet Mondriaan met het stoomschip Samaraa van de Cunard White Star Lines Liverpool. Op 21 september schreef Mondriaan aan Winifred, dat hij haar cadeau niet mee kon nemen, daar hij slechts vijf kilo aan handbagage mocht meenemen. Vanuit New York, waar Mondriaan op 3 oktober 1940 aankwam, schreef hij herhaaldelijk naar Winifred. Zij zou hem niet meer terugzien, daar Mondriaan op 1 februari 1944 overleed. Winifred overleed op 5 maart 1981.
Volgens een interview, dat Margaret Rowell op 20 juni 1971 had met Charmion von Wiegand, ontmoette Charmion op 12 april 1941 Mondriaan, die vanaf 3 oktober 1940 in New York woonde. De kunstrecensente en schilderes Charmion von Wiegand zocht hem op om een artikel over hem te schrijven voor het tijdschrift Living Age. Op 5 juni bezocht zij hem opnieuw. Zij werden bevriend en Charmion hielp Mondriaan met het vertalen van zijn artikelen in het Engels. In juni 1941 gaf zij een feest ter ere van Mondriaan, waar Mondriaan o.a. Stuart Davis ontmoette. In de zomer van 1941 bezocht Charmion herhaaldelijk Mondriaan, waarbij zij getuigen was, van het gebruik van gekleurd plakband door Mondriaan, om de uitwerking op een schilderij te zien. De abstracte schilder Carl Holty (1900-1973) had Mondriaan gewezen op het bestaan van gekleurd plakband.
Charmion ontving van Mondriaan in 1941 het nevenstaande schilderij Compositie Nr. 1 met rood uit 1931. Het schilderij maakte in 1932 deel uit van de Tentoonstelling Fransche Schilderkunst uit de Twintigste Eeuw - École de Paris, die van 9 april t/m 2 mei gehouden werd in het Stedelijk Museum te Amsterdam. In 1971 kocht de kunsthandelaar Harold Diamond het schilderij van Charmion. Volgens de catalogus van het veilinghuis Christie's, waar het schilderij op 19 november 1998 in New York werd verkocht voor $ 2.642.500 inclusief veilingkosten, kwam het schilderij via Fine Arts Mutual te New York, de New Yorkse kunsthandelaar E.V. Thaw en Galerie Beyeler te Bazel in 1983 bij de verkopende partij.
Charmion, die getrouwd was met de journalist Joseph (roepnaam Joe) Freeman, legde echter te veel beslag op Mondriaan en eind 1941 kwam het min of meer tot een breuk. In de loop van 1942 werd de breuk enigszins hersteld en zagen zij elkaar toch weer geregeld. In het najaar van 1942 ging zij voor Mondriaan op zoek naar gekleurd plakband. Na december 1942 werd het contact steeds minder. In het najaarsnummer van The Journal of Aesthetics and Art Criticism, uitgegeven in september 1943, verscheen het door Von Wiegand geschreven artikel The Meaning of Mondrian.
Toen op 26 januari 1944 Fritz Glarner Mondriaan ernstig ziek in zijn atelier aantrof werd ook von Wiegand erbij geroepen. Zij was op 17 januari nog bij hem geweest en gezien dat het schilderij Victory Boogie Woogie bijna af was, maar nu zag zij dat Mondriaan het werk sinds die dag had vernieuwd. Mondriaan werd met de ambulance naar het Murray Hill Hospital gebracht. Op 31 januari 1944 stond Charmion aan het bed van Mondriaan, die een zware longontsteking had. Op 1 februari 1944 zat zij samen met Harry Holtzmann, de schilder Fritz Glarner, Hans Richter en James Sweeney aan het sterfbed van Mondriaan. Op 3 februari 1944 was Charmion von Wiegand één van de ongeveer 200 personen die de herdenkingsdienst in de Universal Chapel bijwoonde.
In 1961 verscheen van Charmions had het boek Mondrian: A Memory of his New York Period.
In New York ontmoette Mondriaan vele oude bekenden uit zijn Parijse tijd. Naast de vele surrealisten, zie onderstaande foto, ontmoette hij o.a. Peggy Guggenheim, die hij ook uit zijn Parijse periode kende. In mei 1942 gaf zij het boek Art of This Century uit waarin haar collectie, behalve de laatste dertig gekochte werken, beschreven werd. Piet Mondriaan schreef het voorwoord van dit boek. Ook vroeg zij Mondriaan zitting te nemen in de jury voor een van de door haar georganiseerde exposities.
Op nevenstaande foto zien we van links naar rechts op de eerste rij: Matta, Ossip Zadkine, Yves Tanguy, Max Ernst, Marc Chagall, Fernand Léger. Op de tweede rij: André Breton, Piet Mondriaan, André Masson, Amédée Ozenfant, Jacques Lipchitz, Tsjelitsjev, Kurt Seligmann en Eugène Berman.
De financiële situatie van Mondriaan was in de jaren twintig zeer slecht. Hij verkocht geen enkel schilderij. De schilderes Mies Elout-Drabbe steunde Mondriaan door af en toe 25 gulden aan hem te sturen.
Mies Drabbe werd geboren in 1875 te Utrecht. In 1895 vestigde het gezin Drabbe zich in Domburg. Mies kreeg schilderles van de Middelburgse zeeschilder W.J. Schütz en bezocht de kunstacademie in Den Haag. Mies trouwde op 21 mei 1902 met Paul Elout (1873-1956), die in 1903 directeur van de Domburgse Zeebadinrichting werd. In 1911 steunde de familie Elout het initiatief van de schilder Jan Toorop om een tentoonstellingsgebouw te openen in Domburg. Mies Elout-Drabbe hielp Toorop bij de organisatie van de tentoonstellingen van 1911 tot 1921. In het tentoonstellingsgebouwtje hingen 's zomers werken van o.a. Jan Toorop, Charley Toorop, Piet Mondriaan, Jacoba van Heemskerck. Deze kunstenaars verbleven ook bij de kunstverzamelaarster, antroposofe en landbouwpionierster Marie Tak van Poortvliet (1871-1936), die woonde op het landgoed 'Loverendale'. In Mies' werk is de invloed van Toorop en Mondriaan te zien, nadat zij eerst pointillistische landschappen en dorpsgezichten maakte.
Na de dood van Mies' zoon Frans Elout in 1994 werd zijn bezit, een veertigtal schilderijen en ongeveer 300 werken op papier, beschikbaar gesteld om als geheel getoond te worden.
Van 20 juni t/m 7 november 2004 werd in het Marie Tak van Poortvliet Museum te Domburg de tentoonstelling Moen! Tussen Toorop en Mondriaan gehouden in het in 1994 herbouwde tentoonstellingsgebouwtje dat in 1922 verloren ging. Het oorspronkelijk gebouwtje stond bij het strand tegenover het Badpaviljoen. Het nieuwe gebouw staat in het centrum van Domburg.
Maaike Middelkoop was getrouwd met de concertpianist en componist Jacob van Domselaer (15/4/1890-5/1/1960), die in Utrecht en Berlijn had gestudeerd. In 1912 leerde Mondriaan via mevrouw Catharina Hannaert Jacob van Domselaar, een gelijkgestemde musicus, kennen. Hannaert kende Domselaar van haar verblijf in Berlijn. In hetzelfde jaar bracht Jacob een bezoek van enkele maanden aan Parijs, waar hij geregeld met Mondriaan ateliers van kunstenaars bezocht en uitging. In 1915 en 1916 huurde Mondriaan een kamer bij de familie van Domselaer in Laren. In 1916 verhuisde de familie van Domselaer naar Huize Meerhuizen, waar vele kunstenaars tesamen woonden. Daar kwam eind 1916 ook Charley Toorop en haar kinderen wonen. Op 25 oktober 1916 trouwden Jacob en Maaike in Laren. Op 1 november 1916 verhuisde de familie Domselaar naar Amsterdam en in 1920 vestigde de familie zich in Bergen. Mevrouw van Domselaer schonk Piet Mondriaan in zijn arme Parijse tijd geregeld 40 gulden om in zijn levensonderhoud te voorzien. In 1968 verscheen van Maaikes hand de publicatie Overzicht over leven en werken van Jakob van Domselaer. Zie voor meer informatie de website www.dofoundation.com, waarvan ook nevenstaande foto wordt ingelezen.
In Parijs ging Mondriaan om met Tonia Stieltjes (Gesina Antonia, 1881-1932), de echtgenote van de ingenieur Wim Stieltjes (1887-1966). Hij had een uitvinding gedaan, maar kreeg niet voldoende financiën. Vanaf 1919 woonde de familie Stieltjes in Parijs. Tonia had model gestaan voor Jan Sluijters, die drie 'portretten' van Tonia maakte. Hiernaast de schilderijen Liggend vrouwelijk naakt uit 1918, Negerin met rode sjaal uit 1922 en Portret van Tonia Stieltjes uit 1922. Het schilderij Liggend vrouwelijk naakt maakt denkelijk deel uit van de collectie van Museum De Fundatie te Heino, daar het te zien is op de website van het museum. Op 16 november 2009 maakte Singer Museum te Laren bekend, dat het werk Negerin met rode sjaal verworven was. Het derde werk, de aquarel Mulattin - Tonia Stieltjes - zittend, werd op 3 december 2008 bij Sotheby's in Amsterdam geveild. De koper moest $ 14.419 incl. veilingkosten betalen. Toen zij in 1932 stierf schreef Mondriaan aan zijn vriend Arthur Lehning op 22 december 1932: In Parijs heb ik nu niemand meer. Volgens een andere vriend van Mondriaan, Albert van den Briel, was zij een van de weinigen die de denkbeelden van Mondriaan kon volgen.