Mondriaan werd op 7 maart 1872 als tweede kind van een hoofdonderwijzer te Amersfoort geboren. Zijn vader Pieter Cornelis was een begaafd en enthousiast tekenaar, terwijl zijn oom Frits Mondriaan schilder van beroep was. In 1880 verhuisde het gezin, dat uiteindelijk uit vijf kinderen bestond, naar Winterswijk, waar Piet in 1889 de akte l.o.-tekenen en in 1892 de akte M.O.-tekenen behaalde. Hetzelfde jaar ging hij naar Amsterdam, waar hij de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten volgde.
Mondriaan voorzag in zijn onderhoud door het kopiëren van schilderijen uit musea voor particulieren en bacterieplaten voor de Universiteit van Leiden. Na vijf jaar studie schilderde en tekende hij rondom Amsterdam. Het nevenstaande schilderij Langs de Amstel ademde de Haagse School, die de stemming die door de natuur werd opgeroepen wilde uitdrukken.
Van 1901 tot 1908 schilderde hij op verschillende plaatsen. Begin 1904 vestigde Mondriaan zich in Uden. In deze periode schilderde hij o.a. het nevenstaande schilderij 'De molen'. In de zomer van 1908 ging hij naar Zeeuwse badplaats Domburg, waar hij kennis maakt met Jan Toorop. Samen met Jacoba van Heemskerk logeerde hij op het landgoed 'Loverendale' van de schilderes Marie Tak van Poortvliet. Ook in 1909 en 1910 schilderde Mondriaan in Domburg. Samen met zijn vrienden Cornelis Spoor en Jan Sluyters hield hij een tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam (jan. 1909), waardoor zijn naam bekend werd. Met Conrad Kickert, Toorop en Sluyters was hij bestuurslid van de op 28 november 1910 opgerichte Hollandse of Moderne kunstkring, waartoe ook buitenlandse kunstenaars toetraden, o.a. Henri Le Fauconnier en Fernand Léger. Op deze manier kon de groep zelf exposities houden, maar werd ook het kubisme in Nederland geïntroduceerd.
In mei 1911 was Mondriaan 10 dagen in Parijs om voor de Moderne Kunstkring rond te kijken. Hij zag in die periode zijn werk Zon dat hing bij de Société des Artistes Indépendants, waar hij op 10 juli 1910 lid van was geworden. In 1911 en 1912 nam Mondriaan deel aan de zomertentoonstellingen Domburg. De felle kritiek die Mondriaans werk opriep was er de oorzaak van dat Mondriaan in hetzelfde jaar (20 december 1911) naar Parijs ging. Zie de webpagina Ateliers van Piet Mondriaan. In Parijs maakte hij kennis met het kubisme van Henri le Fauconnier, Ferdinand Léger en Gino Severini, die allemaal een soort expressionistisch-kubistische schilderstijl hadden.
Op de Salon des Indépendants van 1912 exposeerde Mondriaan 3 natuurgezichten, waarvan 2 kubistische n.l. de nevenstaande schilderijen Naakt en Landschap met bomen. Op de Keuzetentoonstelling van werken van Levende Nederlandsche Meesters, die gehouden werd van 1 juli t/m 2 september 1912 in Nijmegen, exposeerde Mondriaan het nevenstaande kubistische werk Landschap uit 1911-1912 onder de naam In den tuin.
Ook maakte Mondriaan, die in Parijs zijn naam veranderde in Mondrian, kennis met de werken van Georges Seurat (1859-1891), die de nadruk legde op de compositie en tenslotte uitsluitend gebruik maakte van de primaire kleuren: rood, geel en blauw. Deze wijze van zien was voor hem een ontdekking van zijn eigen nog verborgen mogelijkheden. Mondriaan zocht al reeds enkele jaren naar een wijze om de natuur, die van grilligheden en toevalligheden was gezuiverd, weer te geven. Hij zocht naar een vereenvoudiging en verstrakking in vorm en kleur. Zijn eigen stijl vertoonde spoedig, onder invloed van de werken van Picasso en Léger een kubistische inslag. Zijn schilderijen uit deze periode kunnen we het beste rangschikken onder de term: kubistische abstracties. De natuurvormen worden schilderkunstige tekens.
Mondriaan zei later over het kubisme: 'Het was de intentie van het cubisme - in ieder geval in het begin - volume uit te drukken. Zo bleef de driedimensionale ruimte - natuurlijke ruimte - bestaan. Daarom bleef het cubisme in principe een naturalistische uitdrukking en was alleen een abstractie - geen werkelijke abstracte kunst. Deze houding van de cubisten ten opzichte van de representatie van volume in ruimte was het tegenovergestelde van mijn opvatting van abstractie, die is gebaseerd op het geloof, dat de werkelijke ruimte juist vernietigd moet worden. Als gevolg daarvan kwam ik tot de vernietiging van het volume door het gebruik van het vlak. Ik bereikte dit door middel van lijnen die de vlakken afsneden.'
Na enige tijd verdwenen de gebogen lijnen en de willekeurige hoeken uit de compositie. Ze maakten plaats voor horizontale en verticale lijnen, terwijl zijn felle fauvistische kleuren overgingen in drie kleuren n.l. roze, lichtblauw en oker. Mondriaan ging met zijn vereenvoudiging en verstrakking steeds verder en stond tenslotte helemaal buiten het kubisme. Guillaume Apollinaire beschreef naar aanleiding van Mondriaans deelname aan de Salon des Indépendants van 1913 de werken als abstracte kubisme.
De overgang van kubist naar neo-plasticist voltrok zich hier in Nederland, daar hij op 25 juli 1914 terugkwam om zijn ernstig zieke vader te bezoeken. Door het uitbreken van de eerste wereldoorlog kon Mondriaan niet meer naar Parijs terugkeren. In juni en juli 1914 exposeerde Mondriaan door bemiddeling van de kunstcriticus H.P. Bremmer 16 werken bij kunsthandel W. Waldrecht, Smitsplein 4, Den Haag. De Goudse dominee H. van Assendelft kocht drie werken en nodigde Mondriaan uit om eens bij hem langs te komen. Mondriaan bezocht van Assendelft en liet de andere werken van de tentoonstelling ook tijdelijk bij van Assendelft. Mondriaan sprak af dat de werken naar Parijs zouden worden opgestuurd door van Assendelft. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam daar niets van.
Van 31 januari t/m 28 februari 1915 exposeerde Mondriaan 25 werken, waaronder 14 uit de periode 1913-1914, samen met o.a. Le Fauconnier en Peter Alma bij de Rotterdamsche Kunstkring en in oktober 1915 in het Stedelijk Museum met o.a. Leo Gestel en Le Fauconnier. Tijdens de zomer van 1915 had Mondriaan gebruik kunnen maken van het atelier van Otto van Rees in Blaricum. De financiële problemen werden in 1916 voor een deel opgelost door een jaarlijkse toelage van 600 gulden (272 euro) van mevrouw Kröller-Müller in ruil voor vier schilderijen. Deze schilderijen zouden later de basis vormen van het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterlo. In januari 1920 zou Bremmer de toelage stopzetten, daar Bremmer het nieuwe werk minder waardeerde.
De financiële situatie van Mondriaan werd tegen het einde van zijn verblijf in Nederland bovendien verbeterd door de verkoop van vele schilderijen aan de makelaar Salomon B. Slijper. Mondriaan had Slijper in september 1915 in Laren ontmoet bij Catharina Hannaert en was met hem bevriend geraakt. Door de verkoop aan Slijper had Mondriaan een financiële buffer bij zijn terugkeer naar Parijs in 1919.
Van 5 t/m 28 mei 1917 nam Mondriaan deel aan de tentoonstelling van de Hollandsche Kunstenaarskring in het Stedelijk Museum te Amsterdam met de hieronder afgebeelde recente werken. Mevrouw Kröller-Müller kocht het middelste schilderij en Bremmer de buitenste twee, die hij echter direct weer door verkocht aan mevrouw Kröller-Müller.
| ||
![]() | ![]() | ![]() |
Pas op 18 juni 1919 keerde Mondriaan terug Parijs, waar hij een ander atelier in hetzelfde gebouw van zijn oude atelier in de Rue de Départ huurde. Gelukkig had de conciërge alle vooroorlogse kunstwerken uit het atelier bewaard. Mondriaan verbleef er slechts kort, want op 1 november 1919 betrok Mondriaan een atelier in de Rue de Coulmiers 5. Hier schreef hij ook diverse artikelen voor het tijdschtift De Stijl, dat in 1917 voor het eerst verscheen. Medewerkers waren naast Piet Mondriaan o.a. Bart van der Leck en het enige redactielid Theo van Doesburg. Het tijdschrift moest een bijdrage leveren tot de ontwikkeling van het nieuwe schoonheidsbewustzijn. De rest van zijn leven werkte Mondriaan aan de verdere vervolmaking van zijn neo-plasticisme met zijn geometrische composities. Op eigen kosten (900 Francs) gaf hij in februari 1921 via de kunsthandelaar Léonce Rosenberg het boekje Le Neo-plasticisme; Principe Général de l'Equivalence Plastique uit, waain hij zijn bijdragen aan het tijdschrift De Stijl verwerkt had. Van 5 t/m 25 mei 1921 nam Mondriaan deel aan de door Rosenberg georganiseerde tentoonstelling Les Maîtres du Cubisme. Andere deelnemers waren o.a. Picasso, Braque, Gris, Léger en Severini. In 1922 mocht Mondriaan van Rosenberg deelnemen aan de tentoonstelling Du cubisme à une renaissance plastique (=van het kubisme naar een plastische wedergeboorte). Zijn werken hingen tussen de werken van Braque, Gleizes, Gris, Hayden, Herbin, Léger, Metzinger, Ozenfant, Picasso en Valmier.
Via Sophie Küppers, die in 1927 zou trouwen met de kunstenaar El Lissitzky (1890-1941), verkocht Mondriaan in 1924 een aantal werken in Duitsland. Mondriaan nam in deze periode aan vele expositities deel, maar schilderde om in zijn onderhoud te voorzien vele schilderijen met bloemen, die beter verkochten. Hij exposeerde op de Onafhankelijken in 1925, 1926 en 1927, de Potsdamer Kunstsommer in 1925, de L'Art d'Aujourd'hui in 1925 te Parijs, De Rotterdamsche Kring in april 1925, De Bron in Den Haag in 1926, De Branding in Rotterdam in 1926, de Grosze Berliner Kunstausstellung in 1926 (21 mei t/m 30 augustus) en op de Internationale Kunstausstellung te Dresden in 1926 (10 juni t/m 10 oktober). In 1926 werd voor het eerst twee werken van Mondriaan tentoongesteld in de Verenigde Staten op The International Exposition of the Société Anonyme, die gehouden werd van 19 november t/m 9 januari 1927 in het Brooklyn Museum en van 25 januari t/m 5 februari 1927 in de Anderson Gallery te New York. Dit kwam door de Amerikaanse kunstverzamelaarster Katherine Dreier. In 1927 exposeerde Mondriaan op de Salon des Tuileries in Parijs, in het Amsterdamse Stedelijk Museum in 1928 en op Holländische Kunst in Düsseldorf in 1928. In 1930 werd Mondriaan lid van Cercle et Carré en in 1931 van Abstraction-Création. In 1935 was Mondriaan ernstig ziek, waardoor hij vele maanden niet kon schilderen. Eind juni 1935 kreeg hij bezoek van Alfred Barr en zijn vrouw. Barr was bezig met de voorbereidingen van de tentoonstelling Cubism and Abstract Art.
Op de in 1937 in München gehouden tentoonstelling Entartete Kunst hingen twee schilderijen van Mondriaan. Op deze tentoonstelling werden werken van kunstenaars getoond die in de ogen van de Nazi-cultuurpolitici qua werk of afkomst verderfelijk werden geacht. Het waren vooral Duitse Expressionisten, Joden en enkele buitenlanders. Op nevenstaande foto het schilderij uit het bezit van het Landesmuseum Hannover, dat door Alexander Dorner via Sophie Küppers in 1924 gekocht was. Samen met het andere schilderij behoorde het tot het Kabinett der Abstrakten van El Lissitzky. Ook van Feininger en Metzinger hingen op de genoemde tentoonstelling werken.
Begin september 1938 schreef Mondriaan aan o.a. de Amerikaan Harry Holtzman, een Amerikaanse kunstenaar waar hij vanaf december 1934 mee bevriend was, en Nicholson in Engeland of zij hem niet konden uitnodigen, zodat hij Parijs kon verlaten. Nicholson reageerde het eerste en op 21 september vertrok hij in gezelschap van Winifred Nicholson naar Londen. Met hulp van bevriende Engelse kunstenaars, n.l. Winifred en Ben Nicholson, Barbara Hepworth en Naum Gabo, huurde Mondriaan een atelier aan Park Hill Road in de wijk Hampstead. Na een kort verblijf in augustus 1939 in Parijs, keerde Mondriaan terug naar Londen waarvan hij op 23 september 1940 via Liverpool naar New York doorreisde. Het geld voor de overtocht leende hij van Harry Holtzman. Op 1 oktober 1940 kwam hij aan in New York en in de volgende jaren ging hij met oude bekenden uit zijn Parijse tijd om, o.a. Marcel Duchamp, Fernand Léger, Peggy Guggenheim en de schilder en fotograaf Fritz Glarner. Andere vrienden, die hem vaak naar tentoonstellingen en kunstenaars vergezelden, waren o.a. James Johnson Sweeney van het Museum of Modern Art, Sidney Janis en Alfred E. Gallatin. Eind januari 1941 gaven George Morris en zijn vrouw Suzy Frelinghuysen een feest ter ere van Mondriaan en Léger. Op 22 september 1941 vroeg Mondriaan het Amerikaanse staatsburgerschap aan.
In New York gold hij als een van de voorlopers van de abstracte kunst en zijn eenmansexpositie van 19 januari t/m 7 februari 1942 in de Valentine Gallery van Frank Valentin Dudensing te New York was een succes. Een tweede tentoonstelling bij de Valentine Gallery, die gehouden werd van 22 maart t/m 30 april 1943, was samen met beelden van Maria Martins. Op verzoek van Peggy Guggenheim nam Mondriaan op 11 mei 1943 zitting in de jury, waar ook Peggy, Alfred Barr en Marcel Duchamp deel van uit maakten, van de eerste Spring Salon for Young Artists, die gehouden werd van 18 mei t/m 26 juni in Guggenheims galerie Art of This Century.
Op zondag 23 januari 1944 trof de architect José Luis Sert, die in hetzelfde complex woonde, Mondriaan ernstig ziek in zijn flat aan en waarschuwde op maandag 24 januari Harry Holtzman. Samen met schilder Fritz Glarner, die vaak met Mondriaan in het Central Park wandelde, ging Holtzman op dinsdag langs. Ondanks zijn ziekte was Mondriaan bezig geweest aan Victory Boogie-Woogie. Mondriaans gewaarschuwde huisarts, dokter Trubek, zorgde ervoor, dat Mondriaan per ambulance naar het Murray Hill Hospital werd gebracht. Hier stierf Mondriaan op 1 februari 1944 aan een acute longontsteking, terwijl Holtzman, Glarner en Charmion von Wiegand bij zijn bed stonden. Hij werd op 3 februari onder grote belangstelling (bijna 200 kunstenaars) begraven op de begraafplaats Cypress Hill te New York. Alfred Barr sprak een grafrede uit waarin hij Mondriaan eerde, terwijl vele van zijn kunstvrienden uit Europa en Amerika luisterden. Aanwezig waren o.a. Archipenko, Chagall, Dreier, Marcel Duchamp, Max Ernst, Peggy Guggenheim, Holtzman, Pierre Matisse, Fernand Léger, Moholy-Nagy, Matta, Jean Hélion, Alexander Calder, Robert Motherwell, Sweeny, Greenberg, Meyer Schapiro, Gallatin, Rebay , Julien Levy en Valentine Dudensing.
Harry Holtzman hield het atelier van Mondriaan aan en stelde het nadat het atelier op alle mogelijke manieren door Glarner gefotografeerd was vanaf 22 maart 1944 open voor het publiek. Holtzman erfde een groot gedeelte van de schilderijen. Het onvoltooide laatste schilderij Victory Boogie-Woogie werd een paar maanden later voor $ 8000 verkocht. Tijdens zijn leven had Mondriaan hoogstens $ 800 voor een werk ontvangen.
Van 17 december 1994 t/m 30 april 1995 organiseerde het Haags Gemeentemuseum in samenwerking met het Museum of Modern Art en de National Gallery of Art in Washington de solo-expositie Piet Mondriaan 1872-1944 ter gelegenheid van het feit dat vijftig jaar geleden Mondriaan overleed. In totaal werden in Den Haag 165 werken, 122 schilderijen en 33 tekeningen, tentoongesteld. Uit Amerika kwamen 48 werken, waarvan 10 uit het Museum of Modern Art. De expositie in Washington was van 4 juni t/m 4 september 1995 en in New York van 1 oktober 1995 t/m 23 januari 1996. Op nevenstaande foto is op de voorgrond te zien Landschap met bomen uit 1911/1912.Behalve de catalogi bij de hierbovengenoemde tentoonstellingen kunt u informatie vinden in o.a.:
Zie ook de webpagina's: |
Tik op een nevenstaande knop voor werken van Piet Mondriaan. | ![]() |
|