Joseph Fernand Henri Léger werd als zoon van de veeboer Henri-Armand en zijn vrouw Marie-Adèle Daunou geboren op 4 februari 1881 te Argentan (Normandië). In 1897 werd hij leerling bij een architect in Caen. In 1900 ging hij naar Parijs waar hij ook bij een architect werkte. Hij bracht in 1902-1903 zijn militaire dienst door bij de Genie in Versailles en bezocht daarna l'École des Arts Décoratifs, l'École des Beaux-Arts en de Académie Julian in Parijs. Samen met André Mare had hij een atelier in de Rue Saint Placide en later in de Avenue du Maine. In de winter van 1905-1906 bracht Léger wegens zijn gezondheid enige tijd door op Corsica. Hij schilderde daar o.a. het hieronderstaande Corsicaans plaatsje bij zonsondergang.
In 1907 sloot hij vriendschap met Robert Delaunay en in 1908 verhuisde hij naar La Ruche een verzamelpunt van artiesten waar Léger o.a. ontmoette: Alexander Archipenko, Marc Chagall, Henri Laurens, Jacques Lipchitz, Guillaume Apollinaire. In 1910 ontmoette hij Albert Gleizes en stelde hij zijn werken tentoon op de Salon des Indépendants. Léger zag in 1910 het werk van Pablo Picasso en Georges Braque bij de kunsthandelaar Kahnweiler en hij ontmoette ze later in het jaar. Beïnvloed door Cézanne, neo-impressionisten en het kubisme van Picasso en Braque nam hij deel aan de tentoonstelling van de kubisten in de Salon des Indépendants van 1911. Zijn schilderij 'Naaktfiguren in het bos' zorgde voor veel gespreksstof. Ook nam hij deel aan de bijeenkomsten bij de gebroeders Duchamp in Puteaux en de Section d'Or in 1911 en 1912.
In 1911 verhuisde Léger naar de Rue de l'Ancienne Comédie 13 en kwam hij vlakbij zijn vriend Delaunay wonen. Zijn vriend André Mare kreeg als huwelijkscadeau het schilderij Fumée sur les Toits in 1911. In hetzelfde jaar nam Léger deel aan de tweede tentoonstelling van Société Normande de Peinture Moderne, de Ruitenboertentoonstelling in Moskou en de Moderne Kunstkringtentoonstelling in Amsterdam. In 1913 verhuisde Léger opnieuw. Hij nam in het ateliergebouw in de Rue Notre-Dame-des-Champs 86 het atelier over van Henri le Fauconnier. Léger zou dit atelier tot zijn dood behouden. In 1913 had Léger twee werken hangen op de Armory Show in de Verenigde Staten van Amerika en werken op de Erster Deutscher Herbstsalon te Berlijn.
Op 20 oktober 1913 sloot hij een contract met de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler voor de verkoop van zijn werken. In zijn twee voordrachten uit 1913 en 1914 Les Origines de la peinture et sa valeur représentative en Les Réalisations picturales actuelles gegeven op de Académie Vassilieff verklaarde Léger zijn werken uit die tijd. Het realisme van een werk was absoluut onafhankelijk van de imiterende kwaliteit. De lezing Les Origines de la peinture et sa valeur représentative werd gegeven op 5 mei 1913 en in drie afleveringen (29 mei, 14 en 29 juni 1913) geplaatst in Montjoie. De lezing Les Réalisations picturales actuelles werd gepubliceerd in het juni 1914 nummer van Les Soirées de Paris.
Op 2 augustus 1914 werd hij wegens de oorlogsdreiging gemobiliseerd. Tijdens de Eerste wereldoorlog was hij ingedeeld bij de genie, maar in oktober 1914 brancardier. Bij het wegdragen van de gewonden ontdekte hij volgens zijn eigen zeggen het Franse volk. In juli 1915 raakte Léger licht gewond. Van oktober tot december 1916 was hij bij Verdun gelegerd en vanaf januari 1917 aan het front in Champagne. Vanaf juli 1917 verbleef Léger door de gevolgen van een gasaanval tot juni 1918 in diverse ziekenhuizen bij en in Parijs. Na afgekeurd te zijn vestigde Léger zich in Vernon, Eure, en hervatte hij zijn schilderwerk. Hierin kwam zijn nieuwe visie tot uiting, want rond 1920 kwam de mens bij Léger meer op de voorgrond en beeldde hij de moderne techniek uit. De 'Kachelpijp'-mens veranderde in een zeer realistisch voorgestelde mens.
Ook zijn begeleidende vormen waren vlak decoratief, terwijl de omtrek met een zware, zwarte lijn werd gekenmerkt. De mens werd als symbool weergegeven, niet als slachtoffer van de machine, maar als geholpene door de machine. Léger gaf een positief aanvaarden van de vertechniseerde mens in het technisch-wetenschappelijke van onze tijd. Van 5 t/m 25 februari 1919 had Léger volgens nevenstaande kaartje een tentoonstelling bij Léonce Rosenbergs galerie l'Effort Moderne.
Op 30 oktober 1919 vertrok Léger met Thorvald Hellesen naar Oslo en daarna door naar Stockholm. Eind november waren zij weer terug in Parijs, waar Léger op 2 december 1919 trouwde met Jeanne Augustine Adrienne Lohy. Hellesen en zijn vrouw Hélène Perdriat waren getuigen bij dit huwelijk. In 1920 ontmoette Léger de purist Le Corbusier. Het zou uitmonden in een levenslange vriendschap.
Evenals Braque en Picasso ontwierp Léger kostums en decors. In 1921 en 1922 maakte hij ze voor Skating Ring en La Création du monde van het Ballets Suédois van Rolf de Maré. In deze periode sloot Léger vriendschap met de Stijl-schilders Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Door de verkopen van de geconfisqueerde werken, die in het bezit waren geweest van Kahnweiler, werden in korte tijd 36 schilderijen en 204 tekeningen van Léger op de markt gebracht.
In 1924 maakte hij samen met Man Ray, Dudly Murphy en Georges Antheil de film: 'Le Ballet Mécanique' en ging daarna langzaam over tot het figuratieve, waarbij vooral de eenvoudige vorm en de heldere kleur opvallen. Zijn z.g. muurschilderijen waren misschien mede veroorzaakt door zijn samenwerking met Amédée Ozenfant, waarmee hij een atelier deelde, of door de expositie in 1923 van de Stijl in de Galerie de l'Effort Moderne. Hij werkte diverse keren samen met Robert Delaunay aan muurschilderingen.
Rond 1925 veranderden zijn schilderijen. Kenmerkend was zijn nevenstaande schilderij met een afbeelding van de Mona Lisa: La joconde aux clefs. In 1925 werkte Léger mee aan de realisatie van het Pavillon de L'Esprit Nouveau op de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels te Parijs.
In 1924 nam Léger lessen van Othon Friesz over aan de Académie Moderne in de Rue Notre-Dame-des-Champs 86 te Parijs, waar Léger ook een atelierwoning had. Leerlingen waren o.a. Franciska Clausen en Otto Carlsund. (Carlsund is de 2de persoon links op nevenstaande foto, Clausen de 6de staande persoon vanaf links, Erik Olsen 2de van rechts.) Léger stopte met de lessen aan de Académie Moderne in juli 1931. In 1932 gaf Léger een korte tijd les aan de Académie de la Grande Chaumière, waar hij hulp kreeg van Nadia Khodossevitch, een oud leerlinge van de Académie Moderne. In 1932 Léger startte met zijn eigen academie in de Rue de la Sablière en daarna in de rue du Moulin-Vert en in 1938-1939 op de Square Henri-Delormel. De academie kreeg de naam Académie de l'Art Contemporain.
In 1930 deed Léger mee aan de tentoonstelling van Cercle et Carré. In 1931 bezocht Léger voor het eerst de Verenigde Staten. Samen met Le Corbusier bezocht hij in 1935 voor de tweede keer de V.S. Werken van Léger werden tentoongesteld in het Museum of Modern Art te New York, waar Léger ook een lezing onder de naam Pour un Nouveau Realisme, en in het Art Instituut te Chicago. In oktober 1940 vertrok Léger via Marseille naar New York om de Tweede Wereldoorlog te ontlopen. Enkele werken van hem waren tot Entartete Kunst bestempeld. Hij verbleef vanaf november 1940 in de V.S., waar hij les gaf en veel reisde. In New York ontmoette hij een aantal goede bekenden, n.l. Zadkine, Chagall, Mondriaan en Ozenfant.
In december 1945 keerde Léger terug naar Parijs. In 1949 verhuisde Léger naar Biot waar hij in 1950 een atelier betrok om keramiek te maken. Nadat zijn vrouw Jeanne in 1950 was overleden trouwde Léger in 1952 met Nadia Khodossevitch, die Léger al vanaf de Académie Moderne kende. In 1952 verhuisden zij naar Gif-sur-Yvette, waar zij het huis Le Gros Tilleul betrokken. In hetzelfde jaar maakte hij een wandschildering in het gebouw van de Verenigde Naties in New York. Op 17 augustus 1955 overleed hij te Gif-sur-Yvette (Oise).
Légers weduwe Nadia en een oud leerling, n.l. Georges Bauquier (1910-1997), die in 1936 lessen bij Léger had gevolgd en hem na de Tweede Wereldoorlog weer tegenkwam, startten met de voorbereidingen van een museum. In de plaats Biot, Chemin du Val de Pome, werd op 24 februari 1957 de eerste steen gelegd voor het door André Svetchine ontworpen Musée Fernand Léger. De opening was op 13 mei 1960 en nadat Nadia en Georges Bauquier in 1967 348 werken van Léger aan de Franse Staat hadden geschonken werd het een nationaal museum onder leiding van Nadia Léger en Georges Bauquier. Op 4 februari 1969 werd het nationale museum geopend door André Malraux, minister van cultuur. Georges Bauquier was tot 1993 directeur van het museum en schreef o.a. Fernand Léger, Vivre dans le vrai (1987) en leidde vanaf 1990 de redactie van de achtdelige Catalogue raisonné de l'œuvre de Léger, die tussen 1990 en 2003 verscheen. Na de dood van Nadia Léger-Khodossevich in 1982 realiseerde Bauquier een verdubbeling van de museumruimte. In 2005 was het museum lange tijd gesloten in verband met een grote restauratie. Het museum is via de website www.musee-fernandleger.fr/ te benaderen.
| Tik op nevenstaande knop voor werken van Léger. | ![]() |