Juan Gris (1887-1927).

Juan Gris, 1914 (Ps. voor José Victoriano Carmelo Carlos González Pérez).

Juan Gris werd op 23 maart 1887 te Madrid geboren als dertiende kind van de rijke koopman Gregorio González y Rodriguez en zijn vrouw Isabel Pérez Brasategui. Hij kreeg in Madrid vanaf 1902 zijn kunstopleiding aan de kunstnijverheidschool Escuela de Artes y Industrias en verdiende zijn geld met het tekenen voor de humoristische tijdschriften Blanco y Negro en Madrid Cómico. In 1904 verliet Gris de opleiding en ging schilderlessen nemen bij José Moreno Carbonero (1860-1942). In 1905 nam hij de naam Juan Gris aan. In september 1906 kwam Gris op aandringen van zijn vriend Daniel Vásquez Díaz (1882-1969) naar Parijs, waar hij uiteindelijk ging wonen in ateliercomplex Bateau-Lavoir. Hier ontmoette hij o.a. Pablo Picasso, Apollinaire, André Salmon en Max Jacob. Om in zijn onderhoud te voorzien tekende hij ook in Parijs voor diverse kranten karikaturen en humoristische tekeningen, o.a L'Assiette au beurre, Le Charivari, Le Témoin, Le Rire, L'Indiscret. Hij zou dit tot augustus 1911 blijven doen.

In 1907 maakte Gris via Picasso kennis met Georges Braque en de schrijver Maurice Raynal. Bovendien zag Gris de ontwikkeling van het schilderij Les Demoisselles d'Avignon. Gris ontmoette in 1908 de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler.

Lucie Belin, 1914-1915 Lucie Belin, 1912 Georges Gonzáles, 1916

In 1908 trouwde Gris met Lucie Belin, waar hij al een jaar mee samenleefde. Door het vertrek van Kees van Dongen kreeg Gris in 1909 de mogelijkheid een beter atelier in Le Bateau Lavoir te huren voor 450 FF per jaar en werd hij de buurman van Picasso. Op 9 april 1909 werd Gris' zoon Georges geboren, die na het stuk lopen van het huwelijk vanaf 1911 werd opgevoed door Gris' zus Antonieta en broer Carlos in Madrid. Pas in 1926 kwam Georges naar zijn vader in Parijs, waar Georges zijn chemiestudie voortzette. Lucie Belin werd diverse keren door Edouard Vuillard (1868-1940) geportretteerd. Hiernaast twee werken, links uit 1912 en rechts uit 1914-1915.

Het boek Fles en Kruik Hommage aan Picasso, 1912

In 1911 verkocht Juan Gris enkele werken, o.a. de nevenstaande werken Het boek en Fles en Kruik, aan de handelaar Clovis Sagot, die een kleine galerie had in de Rue Laffitte 46. Zijn schilderijen (15 stuks) werden voor het eerst tentoongesteld in december 1911 en januari 1912 in de galerie van Clovis Sagot. Op de Salon des Indépendants van 20 maart tot 16 mei 1912 hingen van Gris drie schilderijen, o.a. Hommage aan Picasso (zie hiernaast), maar niet in zaal XX van de kubisten. In hetzelfde jaar werden zijn werken ook tentoongesteld in Galerias Dalmau te Barcelona (20 april - 10 mei ), Berlijn (mei), op de tentoonstelling van de Société Normande de Peinture Moderne te Rouen (15 juni - 15 juli) en met 13 werken op de 'Section d'Or' (10 - 30 oktober) te Parijs. Daniel-Henry Kahnweiler werd zijn kunsthandelaar en vriend. Op 12 of 20, de dag van de ondertekening, februari 1913 sloot hij een exclusief contract met Kahnweiler voor de verkoop van zijn werken, waardoor Gris een regelmatig inkomen kreeg.

Josette Gris, 1925

Aan het begin van de zomer van 1913 verbleef Gris samen met Charlotte Augusta Fernande Herpin, roepnaam Josette en geboren in 1894, die in 1912 met Gris in Le Bateau Lavoir ging samenwonen, in Rousillon. In augustus verhuisden zij naar Céret, waar regelmatig Picasso, Manolo Hugué en Frank Burty op bezoek kwamen. Op 1 november keerde Gris terug naar Parijs. Op 28 juni 1914 vertrokken Gris en Josette naar Collioure, waar zij in de Rue de l'Eglise een huis huurde. Het huis lag bij de haven en Gris richtte twee kamers als atelier in. Gris was in Collioure bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar durfde niet naar Spanje wegens het ontlopen van de militaire dienstplicht. Vanuit Collioure schreef Gris brieven naar Kahnweiler, o.a. op 1 augustus om 300 FF te vragen, daar hij nog slechts voor ongeveer drie weken geld had. Kahnweiler, die in Italië reisde, ontving de brieven met grote vertraging en liet in een brief van 16 augustus weten, dat hij geld kon overmaken naar Gris. Gris en Josette vonden gelukkig hulp bij familie van een vriend. Op 10 september kwam Matisse naar Collioure waar hij Gris geregeld ontmoette. Matisse kreeg Gertrude Stein en Michael Brenner zover om samen 125 FF per maand aan Gris te geven. Op 30 oktober keerden Gris en Josette vrij plotseling terug naar Parijs, daar Gris erachter kwam, dat zijn treinkaartje nog tot de volgende dag geldig was. De treinreis duurde drieendertig uur.

Voor zijn schilderijen maakte Gris vele voorstudies, waarin de verhoudingen waren berekend. De meeste vernietigde hij nadat het schilderij af was, of hebben zijn vrouw en Kahnweiler na Gris' dood gedaan. Slechts enkele voorstudies ontliepen de vernietiging en gaven inzicht in Gris' ambachtelijke werkwijze.

Daar tijdens de Eerste Wereldoorlog Kahnweiler hoofdzakelijk in Zwitserland verbleef, i.v.m. zijn Duitse afkomst, kwam Gris in financiële moeilijkheden. Dankzij geld van Gertrude Stein, de Amerikaanse beeldhouwer en handelaar Brenner, Picasso en Matisse en het illustreren van werken van bevriende dichters kon Gris leven. Kahnweiler dacht dat de oorlog snel afgelopen zou zijn en weerhield Gris van een verkoop van werken aan Brenner en Gertrude Stein. Het geld dat hij had gekregen voor zijn onderhoud betaalde Gris eind 1914 terug. In april 1915 werd het contract tussen Kahnweiler en Gris na overleg ontbonden. Op 18 april 1916 sloot Gris een exclusief contract met Léonce Rosenberg. Van 30 augustus t/m 26 oktober 1916 brachten Gris en Josette enige tijd door in Beaulieu-les-Loches, de geboorteplaats van Josette en ongeveer 35 km ZO van Tours gelegen.

Beaulieu, 1918

In 1917 zag Gris regelmatig Jacques Lipchitz in Montparnasse. Zij werden vrienden en Gris kreeg belangstelling voor beeldhouwen. I.v.m. de beschietingen van Parijs ging Gris en Josette op 2 april 1918 opnieuw naar Beaulieu-les-Loches. Zij kregen daar o.a. gezelschap van de familie Lipchitz, Metzinger en Maria Blanchard. Op nevenstaande foto staan vlnr Gris, de Chileense dichter Vicente Huidobro en Lipchitz met daarvoor hun vrouw en Huidobro's kinderen. Direct na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog op 11 november 1918 keerde Gris op 12 november terug naar Parijs. Op 5 december 1918 hernieuwde Gris het contract met Léonce Rosenberg.

l'Effort, 1919

Van 5 t/m 30 april 1919 werd in de galerie van Léonce Rosenberg, l'Effort Moderne, 50 werken van Gris uit de periode 1916-1918 tentoongesteld. In de zomer van 1919 kocht de Duitse kunsthandelaar Alfred Fleichtheim werken van Gris. In de galerie van Fleichtheim te Düsseldorf werd van 27 juli t/m 16 augustus 1919 een tentoonstelling gehouden onder de titel Auf dem Wege zur Kunst unserer Zeit. Na de terugkeer van Kahnweiler uit Zwitserland (aug. 1919) werd het contract met hem op 23 december 1920 vernieuwd. Dit hield wel in dat Gris op schilderformaten ging werken die niet genoemd werden in het contract met Rosenberg, dat hij op 1 juni 1920 had hernieuwd en tot 1 juni 1922 liep.

In 1920 nam Gris deel aan de Section d'Or, de Salon des Indépendants en tentoonstellingen in Genéve, Düsseldorf, Brussel, Praag en Amsterdam. Zijn zeer wetenschappelijke kubistische werkzaamheden werden in 1920 door longontsteking (pleuritus) onderbroken. Eind mei werd hij opgenomen in het ziekenhuis Tenon. Toen hij hieruit ontslagen werd op 11 augustus, moest hij eerst aansterken in Beaulieu en van werken kwam niet veel. Op zaterdag 23 oktober 1920 keerde Gris terug naar Parijs, daar het natte weer invloed op zijn gezondheid kreeg. Zijn gezondheid had zo'n klap gekregen, dat hij de winters in Zuid-Frankrijk moest doorbrengen. Eind november 1920 gingen Gris en Josettte naar Bandol-sur-Mer in de omgeving van Toulon. Hier ging Gris weer volop schilderen. In april 1921 bracht Gris op uitnodiging van Diaghilev een week door in Monte Carlo. Gris zou uitsluitend enkele tekeningen maken, want de werkzaamheden voor het ballet Cuadro Flamenco gingen naar Picasso. In Monte Carlo kwam Gris zowel Gertrude Stein als Matisse tegen.

Decor La Colombe

In 1921 had Gris opnieuw een tentoonstelling in de galerie l'Effort moderne (1 - 25 maart) te Parijs. Ook werden Gris' werken tentoongesteld in Amsterdam (opening 19 oktober), Barcelona en Lyon. Op 22 juni 1921 ging Gris alleen terug naar Parijs. Gris en Josette waren denkelijk uit elkaar, daar Juan wilde trouwen met een welvarende jonge vrouw, genaamd Marcelle, die hij in de afgelopen winter had ontmoet. In oktober 1921 verzoenden Juan en Josette zich en gingen zij samen naar Céret, waar zij tot in april 1922 bleven. In het voorjaar van 1922 verhuisde Gris vanuit Le Bateau Lavoir naar een appartement op Rue de la Mairie 8 te Boulogne-sur-Seine, een voorstad van Parijs. De familie Kahnweiler woonde op nummer 12. De straatnaam werd later veranderd in rue de l'Ancienne Mairie. Hier kreeg hij bezoek van Gertrude Stein, Raynal, Dr. René Allendy en jonge kunstenaars. Van 20 maart t/m 5 april 1923 had Gris een expositie bij Galerie Simon, de voortzetting van Galerie Kahnweiler.

In december 1922 vroeg Diaghilev het decor en de costums voor een ballet te ontwerpen. Vanaf 9 oktober 1923 brachten Gris en Josette samen door in Monte Carlo, waar Gris werkte voor Diaghilevs Ballets Russes. Van 11 oktober 1923 tot eind januari 1924 verbleven Gris en Josette in Villa Tosca, Rue du Marché 3 te Beausoleil. Op 1 februari waren Gris en Josette terug in Boulogne. Gris werkte mee aan La Fête merveilleuse (30-6-1923), Les tentations de la Bergère (première op 3-1-1924), Une éducation manquée (17 jan. 1924) en La Colombe (jan. 1924). Zijn laatste arbeid voor Diaghilev was een ontwerp voor het door Diaghilev georganiseerde feest van het Rode Kruis, dat gehouden werd op 28 mei 1924 in het Grands Magasins du Printemps.

Uitnodiging Sorbonne-lezing, 1924

In 1923 werd de vriendschap met Gertrude Stein, die eind 1914 op een laag pitje was komen te staan, hernieuwd. Gris en Getrude bezochten elkaar in Monte Carlo en Nice. Gertrude zorgde er ook voor dat via Jane Heap een artikel van Gertrude Stein over Gris verscheen in The Little Review in 1924 met achttien reproducties. Op 15 april 1924 gaf hij aan de Parijse universiteit de Sorbonne een lezing getiteld Sur les possibilités de la peinture, waarvan hij de tekst eerst door Getrude Stein had laten lezen. De tekst werd spoedig in het Engels, Spaans en Duits vertaald. In 1925 begon Gris een procedure om Frans staatsburger te worden. Voor Gertrude maakte Gris vier illustraties voor haar boek A Book Concluding with As a Wife Has a Cow, A Love Story, dat in december 1926 werd uitgegeven door Kahnweiler. Zie de webpagina Kunstbezit van Gertrude Stein voor een overzicht van haar bezit aan werken van Juan Gris.

La Liseuse; afm.: 81 x 65 cm

Gris ging na de Eerste Wereldoorlog over op een meer klassieke stijl. Een voorbeeld daarvan was het nevenstaande schilderij La Liseuse (=De lezeres) uit april-november 1926. Het schilderij kwam door het afgesloten contract terecht bij Galerie Simon. Via de Svensk-Franska Kunstgalleriet in Stockholm kwam het werk in 1947 bij een kunstverzamelaar in Zweden. Op 3 februari 2004 (lot 240) verkocht een erfgenaam, een schoonzoon of -dochter van de eerdere eigenaar, het schilderij via het veilinghuis Christie's in Londen. De nieuwe eigenaar kocht het werk voor £ 206.850 inclusief veilingkosten en verkocht het werk op 10 februari 2011 (lot 441) bij Christie's in Londen voor £ 337.250 inclusief veilingkosten.

De winter van 1925-1926 brachten Gris en Josette door in het Zuidfranse plaats Toulon, waar Gris last had van zijn bronchitis. Na de zomer in Parijs te hebben doorgebracht, was Gris vanaf 21 november 1926 in Villa Germinal te Hyères, waar hij direct last kreeg van angina en hoge bloeddruk. In december 1926 had Gris weer een bronchitisaanval. In januari 1927 was Gris diverse malen ziek wegens zware astma-aanvallen en wilde hij een hoger gelegen plaats opzoeken om te zien of zijn gezondheid verbeterde. Via een verblijf van slechts één dag in Puget-Theniers keerden Gris en Josette op 24 januari terug naar Boulogne. Vanaf eind januari 1927 kwam hij geregeld op bed te liggen wegens hoge bloeddruk en 'bloedvergiftiging', daar zijn nieren niet meer goed werkten. Op 11 mei 1927 bezocht Kahnweiler, die naast hem woonde, Gris en zag dat het heel slecht ging. Later op die dag stierf Gris te Boulogne-sur-Seine. Picasso, Gris' zoon Georges, die vanaf juli 1926 bij zijn vader woonde, Lipchitz, Kahnweiler en de schrijver Raynal waren de dragers tijdens de ter aarde bestelling twee dagen later. Ook Braque en Getrude Stein waren bij de begrafenis aanwezig.

Gris werd een der grondleggers van het kubisme door zijn synthetische aanpak. Hij wilde uit de vorm tot het object komen. Hij wees vanuit het analytische kubisme, dat de objecten ontleedde, de weg naar een synthetisch kubisme, waardoor hij tot een nieuwe omschrijving van de voorwerpen wilde komen. Zie ook de webpagina Collage/papier collé bij de kubisten.

In 1946 schreef Kahnweiler het standaard werk Juan Gris, sa vie, son oeuvre, ses écrits over zijn vriend. (Engelse editie van Douglas Cooper: Juan Gris. His Life and Work, Londen 1947 en 1969)

Tentoonstellingen

  • Galerie Simon, 1928 Van 4 t/m 16 juni 1928 was er in Galerie Simon de Exposition rétrospective de Juan Gris met 66 schilderijen uit de periode 1911-1927. Daarnaast was een sculptuur, werken op papier en boekillustraties te zien.
  • In Berlijn werd in 1930 bij galerie Fleichtheim In Memoriam Juan Gris gehouden met 90 werken.
  • In 1933 was van 2 t/m 26 april de tentoonstelling Juan Gris in Kunsthaus Zürich. Hier was o.a. Hommage à Picasso te zien.
  • Van 29 oktober 1955 t/m 2 januari 1956 werd in het Kunstmuseum te Bern de door Douglas Cooper georganiseerde tentoonstelling Juan Gris gehouden. De tentoonstelling bestond uit 120 schilderijen en ongeveer 50 tekeningen e.d. Een derde van de werken was afkomstig uit Zwitserland, een derde uit Frankrijk. De catalogus werd verzorgd door Douglas Cooper.
  • In februari-maart 1958 werd bij Marlborough Fine Art Limited, Old Bond Street 17-18 te Londen de retropectieve tentoonstelling Juan Gris 1887-1927 gehouden ter ere van Daniel-Henry Kahnweiler Fifty Years in the World of Art. Douglas Cooper opende de tentoonstelling. In de catalogus verzorgde Kahnweiler het voorwoord en stond een bijdrage van John Russell over Kahnweiler. De catalogus liet 24 afbeeldingen van de 50 tentoongestelde werken zien.
  • In 1958 werd in de Verenigde Staten in een viertal musea de tentoonstelling Juan Gris gehouden, n.l. van 9 juni t/m 1 juni in het Museum of Modern Art, van 24 juni t/m 24 juli in het Minneapolis Institute of Arts, van 11 augustus t/m 14 september in het San Francisco Museum of Art en van 29 september t/m 26 oktober in het Los Angeles County Museum.
  • Van 14 maart t/m 1 juli 1974 werd in de Orangerie des Tuileries te Parijs de tentoonstelling Juan Gris gehouden.
  • In 1983-1984 werd in de V.S. in een drietal musea de tentoonstelling Juan Gris gehouden, n.l. van 7 februari t/m 8 april 1983 in University Art Museum te Berkeley, van 15 oktober t/m 31 december 1983 in de National Gallery of Art te Washington D.C. en van 18 mei t/m 15 juli 1984 in het Solomon R. Guggenheim Museum te New York.
  • Van 20 september t/m 24 november 1985 werd de tentoonstelling Juan Gris gehouden in het Ministerie voor Cultuur te Madrid.
  • In 1987 werd ter gelegenheid van de expositie Juan Gris et les Dimanches de Boulogne in het gemeentelijk museum van Boulogne-Billancourt een gedenkplaat aangebracht op het huis van Juan Gris in de Rue de la Mairie 8 (nu Rue de l'Ancienne Maire). De onthulling werd gedaan door de burgemeester Georges Gorse en Gris' zoon Georges Gonzales. Aanwezig was ook dhr. Juan Duran, de ambassadeur van Spanje in Frankrijk.
Tik op nevenstaande knop voor werken van Juan Gris.

Op de Engelstalige website www.juangris.org kunt u 181 afbeeldingen zien van werken van Juan Gris.

Laatste wijziging: 120513