Lyonel Feininger (1871-1956).

Lyonel Feininger

1936

Léonell Charles Adrian Feininger werd op 17 juli 1871 in New York City geboren. Zijn Duitse ouders waren muzikanten, zijn vader, Karl (-1922), violist en componist, zijn moeder, Elisabeth Cecilia Lutz, zangeres en pianiste. Wegens de vele afwezigheid van zijn ouders als zij op tournee waren, verbleef Lyonel met zijn twee jongere zussen, Helen (1873-1899) en Elsa (1876-1898), vaak bij de familie Clapp, die een boerderij in Sharon (Connecticut) had. In het najaar van 1886 regelde zijn vader via een vriend, dat Lyonel een baante als loopjongen kreeg bij een effectenhandel in Wall Street. In juni 1887 reisden zijn ouders naar Europa en zijn zussen gingen later naar de Ursuline Convent School in Leuven (België).

Na een brief van zijn vader reisde Lyonel zijn ouders naar Europa achterna en kwam hij op 25 oktober 1887 in Hamburg aan. Lyonel ging naar Duitsland voor een muzikale opleiding, daar zijn muzikaal talent al op zeer jeudige leeftijd zichtbaar was. Hij kon o.a. goed vioolspelen en componeerde voor piano en orgel. Hij koos echter voor een kunstopleiding in Hamburg en de Königliche Akademie in Berlijn (1888-1891). In september 1890 ging Lyonel naar het Jesuit Collège Saint-Servais in Luik om een betere schoolopleiding te verkrijgen. Na het studiejaar ging Lyonel terug naar Berlijn en in september ging hij verder aan de academie bij Woldemar Friedrich (1846-1910). Im maart 1891 verliet Lyonel de academie om via het leveren van tekeningen aan de Berliner Illustrierte Zeitung geld te verdienen om naar Parijs te gaan.

In november 1892 had Feininger genoeg geld om de reis te betalen en vertrok hij naar Parijs. Overdag tekende hij op straat en 's avonds bezocht hij de Académie Colarossi. In mei 1893 keerde hij terug naar Berlijn en vanaf januari 1895 leverde hij tekeningen voor de wekelijkse bijlage Ulk (=Grap) van de krant Berliner Tageblatt en later ook aan Lustgige Blätter en Das Narrenschiff. In 1900 ontmoette Feininger de pianiste Clara Fürst, de dochter van de schilder Gustav Fürst en zus van de schilder Edmund Fürst (1874-), waar Feininger tijdens zijn verblijf in Berlijn mee bevriend was geraakt. Feininger trouwde met Clara in 1901 en het echtpaar kreeg op 14 december 1901 dochter Eleonore en op 18 december 1902 dochter Marianne.

Julia Lilienfeld

In augustus 1905 ontmoette Feininger de officieel nog getrouwde Julia Berg-Lilienfeld (1881-1970) tijdens een vakantie met zijn gezin in Graal, een kustplaats aan de Oostzee boven Rostock. Julia was het enige kind van de fabriekseigenaar Bernhard en Jenny Lilienfeld en van joodse afkomst. Terug in Berlijn verliet Feininger zijn gezin en ging hij corresponderen met Julia. In februari 1906 bezocht Feininger haar in Weimar, waar zij studeerde aan de kunstnijverheidschool. Vanaf mei verbleef Feininger bij Julia in Weimar en bezocht met haar de dorpen rond Weimar en maakte hij schetsen van de dorpen.

29-4-1906 1906

In februari 1906 kreeg Feininger via James Keeley het aanbod om te gaan tekenen voor de zondagse bijlage van de Chicago Tribune, de Chicago Sunday Tribune. Op de voorkant van de bijlage van 29 april 1906 (links) introduceerde Feininger zich. Op 24 juli 1906 reisden Feininger en de zwangere Julia naar Parijs, waar Feininger een atelier aan de Boulevard Raspail 242 in Parijs huurde. Hij bezocht weer de Académie Colarossi, waar hij Amedeo Modigliani ontmoette.

Op 27 december 1906 werd zoon Andreas Bernhard geboren. Vanaf 1907 werd Feininger een reglmatige bezoeker van Café du Dôme, het trepunt van Duitse kunstenaars. In Café du Dôme leerde Feiniger medewerkers van het satirisch blad Le Témoin (=De Getuige) kennen. Het blad verscheen voor het eerst in oktober 1906 onder de leiding van Paul Iribe (1883-1935). Spoedig leverde Feininger tekeningen voor dit blad. Financieel kwam dit Feininger goed uit, want de Chicago Tribune verbrak het contract eind 1906 met Feininger zogenaamd wegens het niet verhuizen naar Chicago. Feininger wilde eerst dat de scheidingen geregeld waren voordat hij terug zou keren naar de V.S. In werkelijkheid had de Chicago Tribune de 'comics'-strijd met de Chicago American verloren en alle Duitse tekenaars ontslagen. Le Témoin zou tot 1910 verschijnen.

Feininger ging om met Robert Delaunay en de andere kubisten. Pas op 21 april 1907 schilderde Feininger voor het eerst. Het resultaat was een stilleven. De zomer van 1907 brachten Feininger en Julia door in het Zwarte Woud en op het Oostzee-eiland Rügen. In oktober waren zij weer terug in Parijs, waar Feininger zich meer toelegde op het schilderen. Dit was financieel mogelijk door de maandelijkse ondersteuning van 950 Duitse marken die Julia van haar ouders ontving. Op 25 september 1908 trouwden Feininger en Julia in Londen en het gezin vestigde zich daarna in de Königstraße 32 in de Berlijnse voorstad Zehlendorf. Op 5 april 1909 werd zoon Laurence Karl Johann geboren en op 11 juni 1910 zoon Theodore Lux.

Boulevard Raspail 242, 1906

Feininger deed mee aan de tentoonstellingen van de Berliner Secession in de periode 1908-1912. In 1911 bezocht hij gedurende drie weken Parijs, o.a. omdat zes van zijn werken werden tentoongesteld op de Salon des Indépendants. De plaatsingscommissie hing Feiningers werk in de zaal waar werken van Matisse hingen. Op dezelfde tentoonstelling vestigden de kubisten in zaal 41 de aandacht op zich en Feininger werd door wat hij zag beïnvloed. In 1912 schilderde Feininger Hohe Häuser I, zijn eerste werk in een andere stijl. Het schilderij gaf huizen in Montmartre weer. In een brief aan zijn jeugdvriend, de Amerikaanse schilder Alfred Vance Churchill, noemde hij zijn werkstijl liever Prisma-isme dan kubisme.

De twee schilderijen die Feininger instuurde naar de Berliner Secession van 1912 zorgen ervoor dat Karl Schmidt-Rottluff (1884-1976) Feininger uitnodigde voor de eerste tentoonstelling in Berlijn van de groep Die Brücke in de Galerie Fritz Gurlitt in de Behrenstraße 29 in Berlijn.

In een brief van 16 juli 1913 werd Feininger door Franz Marc op aanraden van Alfred Kubin uitgenodigd om samen met de Der Blaue Reiter te exposeren op de Erster Deutscher Herbstsalon in Berlijn. Hij stelde vier schilderijen tentoon. Het schilderij Hohe Häuser I op de tentoonstelling werd gekocht door Bernhard Koehler (In 1945 ging het schilderij door de bombardementen op Berlijn verloren) en Teltow I door Paul Poiret. Op deze tentoonstelling in de Potsdamer Straße lieten 90 kunstenaars hun werken zien.

Na de deelname van de Verenigde Staten aan de Eerste Wereldoorlog op 6 april 1917 werd Feininger uiteindelijk beperkingen op gelegd. Feiningen bracht in de zomer van 1917 met zijn vrouw Julia en zijn drie zonen vier weken in de Harz, rond Braunlage, door. Begin augustus 1917 keerde Feininger met zijn zonen Laurence en Lux terug naar Berlijn om een tentoonstelling in de galerie Der Sturm, die op 2 september 1917 zou beginnen, voor te bereiden. Zijn vrouw en zoon Andreas bleven in Braunlage. In Berlijn moest Feininger zich elke dag melden op het politiebureau. Uitsluitend door de bemiddeling van Herwarth Walden kon Feininger terugkeren naar Braunlage.

Pension Spiek, 1917-1918

In de loop van 1918 begon Feininger met houtsnijden. De reden was denkelijk het ontbreken of de slechte kwaliteit van verf, waardoor schilderen bijna niet mogelijk was. Ook de zomer van 1918 bracht het gezin Feininger in Braunlage door, maar in een brief aan Karl Schmidt-Rottluff schreef Feininger, dat eerst zijn vrouw een week in bed lag en daarna hij denkelijk de griep had. Zijn schoonvader had de spaanse griep. Denkelijk was het gezin van midden juni tot eind augustus 1918 in Braunlage. Beide zomers woonde het gezin in het bijgaand afgebeelde Pension Spiek in de Bismarckstraße.

Bauhaus, 1923

In april 1919 vroeg Walter Gropius (1883-1969) de medewerking van Feininger voor het 'Bauhaus' in Weimar. Het 'Bauhaus' was na de oorlog ontstaan uit de Hochschule für bildende Kunst en de Kunstgewerbeschule. Op 18 mei 1919 reisden Feininger en Gropius naar Weimar. Samen met de in juni aangekomen Johannes Itten (1888-1967) was Feininger verantwoordelijk voor het onderwijs in schilderen en tekenen. In 1921 werd Feininger na het vertrek van Walter Klemm (1883-1957) de Meister van de grafische drukkerij. De hyperinflatie dwong Gropius ertoe om financiën te verkrijgen door meer industriële producten te laten vervaardigen en daarvoor reclame te gaan maken. Op 15 augustus 1923 opende Grotius de tentoonstelling met de lezing Kunst und Technik: eine neue Einheit die de nieuwe richting aangaf en de modelwoning Haus am Horn. Door de politieke en economische veranderingen in Duitsland kwam het Bauhaus in financiële problemen en in 1926 verhuisde het naar Dessau. Feininger verhuisde mee, maar stopte met lesgeven. In 1929 kreeg Feininger de opdracht van de gemeente Halle enkele schilderijen van Halle te maken. Hij kreeg daarvoor een atelierruimte in de toren van het museun in Halle tot zijn beschikking. Zie ook de webpagina schilderijen naar foto's.

Masterpieces of Art Building, 1939

In 1936 nam Feininger de uitnodiging aan om les te komen geven aan het Mills College in Californië. Dit was mede door de vijandige houding van het Nazi-regiem ten opzichte van zijn werk en zijn joodse echtgenote Julia Lilienfeld. Op 10 juni 1937 verliet Feininger Duitsland. De Reichskulturkammer verwijderde zijn werken uit de musea en meer dan 400 werken behoorden tot de Entartete Kunst. In 1939 ontwierp Feininger de wandschildering Masterpieces of Art Building voor de New Yorkse wereldtentoonstelling.

In 1944 had Feininger samen met Marsden Hartley een grote retrospectieve tentoonstelling in het Museum of Modern Art te New York. Op 13 januari 1956 overleed Feininger in zijn New Yorkse woning.

Werken met kubistische invloed 1912-1920

kunstwerktiteljaarnu te zien in
Visser met blauwe vis, afm.: 56,5 x 74 cmVisser met blauwe vis1912
Badenden aan het strand, afm.: 50,5 x 65,7 cmBadenden aan het strand1912Buch-Reisinger Museum, Cambridge, Mass
Trompetblazers, afm.: 94 x 80,3 cmTrompetblazers1912
Dorp Alt-Sallenthin, afm.: 81 x 100,5 cmDorp Alt-Sallenthin1913Museum Folkwang, Essen
Wielrenners, afm.: 80,3 x 100,3 cmWielrenners1912National Gallery of Art, Washington D.C.
Hohe Häuser I, afm.: 100 x 80 cmHohe Häuser I1912Verzameling Bernhard Koehler, in 1945 verbrand.
Op het strandOp het strand 1913Musée National d'Art Moderne, Parijs
Hohe Häuser II, afm.: 100 x 80 cmHohe Häuser II1913Neuberger Museum, Purchase, NY
Brug I, afm.: 80 x 100,3 cmBrug I1913Washington University Gallery of Art, St. Louis, Miss
Gelmeroda III, afm.: 100 x 80 cmGelmeroda III1913Scottish National Gallery of Modern Art, Edinburgh
De raderboot I, afm.: 80 x 100 cmDe raderboot I1913
Umpferstedt I, afm.: 131,5 x 101 cmUmpferstedt I1914Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf
Weg, afm.: 80 x 100 cmWeg1915
Jesuïten, afm.: 75 x 60 cmJesuïten1915
Zelfportret, afm.: 100 x 80 cmZelfportret1915Sarah Campbell, Houston
Het plein, afm.: 74 x 90 cmHet plein1916Museum of Art Gallery, Leicester
Brug III, afm.: 80,5 x 100 cmBrug III1917Museum Ludwig, Keulen
Achter de kerk, afm.: 101 x 125,7 cmAchter de kerk1917Nalatenschap schilder
Zirchow VII, afm.: 80,7 x 100,6 cmZirchow VII1918National Gallery of Art, Washington D.C.
Dorp Neppermin, afm.: 80 x 100 cmDorp Neppermin1919
De rode clown, afm.: 72 x 62 cmDe rode clown1919
Het ateliervenster, afm.: 100 x 80 cmHet ateliervenster1919Wilhelm-Lehmbruck Museum, Duisburg
Viaduct, afm.: 101 x 86 cmViaduct1920Museum of Modern Art, New York
Steiger, afm.: 85,4 x 101 cmSteiger1920Acquavella Galleries, New York
Normandisch dorp II, afm.: 78 x 98 cmNormandisch dorp II1920Staatsgalerie Stuttgart

Werken met kubistische invloed 1921-1937

kunstwerktiteljaarnu te zien in
Architectuur II, afm.: 100 x 78 cmArchitectuur II (ook De man van Potin)1921Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid
Mellingen VI, afm.: 79,4 x 100 cmMellingen VI1922
Dame in het paars, afm.: 100 x 80 cmDame in het paars1922
Wolken boven zee II, afm.: 36 x 60 cmWolken boven zee II1923
The Arch Tower IThe Arch Tower I1923Kunstmuseum, Bazel
Barfüsserkirche I, afm.: 100 x 80 cmBarfüsserkirche I1924Staatsgalerie Stuttgart
Toren II, afm.: 100 x 80 cmToren II1925Staatliche Kunsthalle, Karlsruhe
Wolk na de storm, afm.: 43,8 x 71,7 cmWolk na de storm1926Buch-Reisinger Museum, Cambridge, Mass
Gelmeroda IX, afm.: 100 x 80 cmGelmeroda IX1926Museum Folkwang, Essen
Schoener in de OostzeeSchoener in de OostzeeVerzameling Datsch-Benzinger, Bazel
De kruiser OdinDe kruiser Odin1927Museum of Modern Art, New York
Gelmeroda XII, afm.: 100 x 80 cmGelmeroda XII1929Museum of Art, Rhode Island School of Design
Brug V, afm.: 80 x 100 cmBrug V1929Philadelphia Museum of Art
Stille dag aan zee III, afm.: 49 x 36,2 cmStille dag aan zee III1929
Kerk aan de markt, afm.: 100 x 80 cmKerk aan de markt1929Kunsthalle, Mannheim
Regamündung III, afm.: 48 x 77 cmRegamündung III1929 - 1930Hamburger Kunsthalle
Marienkirche von Westen, Halle, afm.: 100,7 x 85 cmMarienkirche von Westen, Halle1930Bayerische Staatsgemäldesammlungen, München
De dom in Halle, afm.: 86,5 x 124,5 cmDe dom in Halle1931Staatliche Galerie Moritzburg, Halle
De dom in HalleDe dom in Halle1931
Straat in Treptow II, afm.: 80 x 100 cmStraat in Treptow II1932Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid
De rode violist, afm.: 100 x 80 cmDe rode violist1934
Gelmeroda XIII, afm.: 100 x 80 cmGelmeroda XIII1936The Metropolitan Museum of Art, New York
Zwarte golf, afm.: 48 x 72 cmZwarte golf1937Kunsthalle, Emden

Tentoonstellingen

affiche 2006
  • Van 17 september t/m 19 november 2006 werd in het Von der Heydt Museum in Wuppertal de tentoonstelling Lyonel Feininger. Frühe Werke und Freunde gehouden.
  • Van 13 juni t/m 20 september 2009 werd in de Lyonel-Feininger-Galerie in Quedlinburg en van 7 november 2009 t/m 2 januari 2010 in de galerie Moeller Fine Art in Berlijn de tentoonstelling Feininger im Harz gehouden. De tentoonstelling liet vooral de houtsneden en tekeningen uit de verzameling van Feiningers vriend, Hermann Klumpp, zien.
  • Van 30 juni t/m 16 oktober 2011 werd in het Whitney Museum of American Art in New York City de tentoonstelling Lyonel Feininger at the Edge of the World gehouden. Daarna ging de tentoonstelling naar het Montreal Museum of Fine Arts van 20 januari t/m 13 mei 2012.

    Tijdens de bovengenoemde tentoonstelling werd op 20 juli 2011 onder de titel The fine art of comics met de cartoontekenaars Gary Panter, Art Spiegelman en Chris Ware een discussieavond gehouden over de relatie tussen cartoons en kunst onder leiding van John Carlin.

  • Van 16 november 2013 t/m 16 februari 2014 werd in het Museum Behnhaus Drägerhaus in Lübeck de tentoonstelling Lyonel Feininger Lübeck-Lünebrug gehouden. Via internet is een indruk van de tentoonstelling te zien.

Bronnen en verdere informatie

boek, 2010
  • Ulrich Luckhardt: Lyonel Feininger, Bonn 1998, ISBN: 3-7913-2041-6.
  • Craig R. Whitney: ARTS ABROAD; Poetic Justice for an Artist Ridiculed by the Nazis in The New York Times van 9 september 1998.
  • De Duitstalige website Lyonel Feininger, eine Biografie.
  • Martin Fass: Lyonel Feininger und der Kubismus, Frankfurt am Main 1999, ISBN: 3-631-34143-1.
  • Lyonel Feininger. Die Halle-Bilder, München 2010, ISBN: 978-3-7774-2241-1.
  • Björn Egging: Feininger im Harz, New York - Berlijn 2009, ISBN: 978-3-86678-295-2. Dit was de catalogus van de gelijknamige tentoonstelling.
  • Barbara Haskell: Lyonel Feininger At the Edge of the World, New York 2011, ISBN: 978-0-300-16846-4. Dit was de catalogus van de gelijknamige tentoonstelling.
  • Het archief van Lyonel Feininger is sinds 1963 ondergebracht bij de Harvard University Library in Cambridge (Massachusetts). In 1979 volgde aanvullend materiaal door een gift van Lyonels zoon Lux Feininger.
  • Wolfgang Büche: Lyonel Feininger: Halle Bilder - Die Natur-Notizen, Leipzig 2000.

Laatste wijziging: 221114