Marcel Duchamp (1887-1968).

1887-1911

Henri-Robert-Marcel Duchamp werd op 28 juli 1887 te Blainville-sur-Crevon (een dorpje bij Rouen) geboren als derde zoon en kind van de welgestelde notaris Justin-Isidore (roepnaam Eugène) Duchamp (1848-1925) en Lucie Nicolle (1856-1925). Na hem kwamen nog zijn drie zussen Suzanne (1889), Yvonne (1895) en Magdeleine (1898). In Rouen volgde Duchamp van september 1897 t/m juli 1904 het Lycée Corneille terwijl hij verbleef in het pension École Bossuet. In 1904 vertrok Marcel naar Parijs, waar zijn broers Raymond Duchamp-Villon en Gaston (Jacques Villon) al woonden. Hij ging wonen naast zijn broer Jacques in de Rue Caulaincourt 71 in de Parijse wijk Montmartre. Later zou ook zijn zus Suzanne naar Parijs komen. Duchamp werd leerling van de Académie Julian, een soort voorbereidend atelier voor de École des Beaux-Arts, en ontmoette daar vele andere schilders. Om een twee jarige dienstplicht te ontlopen volgde hij een opleiding voor drukker bij de drukkerij Imprimerie de la Vicomte in Rouen. Na het afleggen van het examen, waarbij hij gebruikmaakte van etsen van zijn grootvader Emile-Frédéric Nicolle, kon hij als beoefenaar van een kunstambacht korter in dienst, n.l. slechts één jaar. Hij volgde in dat jaar een officiersopleiding.

Le Témoin, 14-3-1908

Eind 1906 kwam Duchamp na zijn militaire dienst terug in Parijs en ging hij schilderen in de stijl van de Fauves met brutale, vloekende kleuren. Hij leerde Juan Gris kennen en samen tekenden zij voor een uitgave van Paul Iribe (1883-1935). In 1906 was Iribe begonnen met de krant Le Témoin die politieke satire en kunst als onderwerp had. Ook Lyonel Feininger werkte mee aan deze krant die tot 1910 bestond. Gris tekende o.a. de voorkant van het nevenstaande nummer van 14 maart 1908.

In 1908 verhuisde Duchamp naar Rue Amiral-de-Joinville 9 in de Parijse voorstad Neuilly. In 1909 nam Marcel Duchamp voor het eerst deel aan de Salon des Indépendants en de Salon d'Automne te Parijs. Tot 1910 schilderde hij hoofdzakelijk portretten en tekende hij illustraties voor de kranten Le Courier Français en Le Rire.

In 1909 exposeerde Duchamp op de eerste Salon de la Société Normande de Peinture Moderne te Rouen. Vanaf 1910 kwam een groot aantal kubisten bij elkaar in het atelier van de gebroeders Duchamp in de Parijse voorstad Puteaux. Tot deze Puteaux-groep behoorden ook Fernand Léger, Albert Gleizes, Jean Metzinger, Roger de la Fresnaye, Henri le Fauconnier, André Lhote en Robert Delaunay. Ook Guillaume Apollinaire, de schilder Georges Ribemont-Dessaignes, de schrijver Henri-Martin Barzun en de wiskundige Maurice Princet namen vaak aan de discussie deel. Deze z.g. Puteaux-groep exposeerde gezamenlijk in de jaarlijkse Salon des Indépendants en de Salon d'Automne. Later hield de groep aparte tentoonstellingen onder de naam Salon de la Section d'Or. In 1911 leerde Duchamp op de Salon d'Automne via zijn Rouense vriend Pierre Dumont de schilder Francis Picabia kennen. Het was het begin van een levenslange vriendschap.


In bovenstaande serie zien we de ontwikkeling van fauvisme naar kubisme. Links is een deel te zien van het schilderij 'De schaakspelers' uit 1910. Naast de twee voorstudies staat het uiteindelijke schilderij 'Portret van schaakspelers.'

1911-1915

Étienne-Jules Marey: lopen Via het kubisme, Duchamp bezocht in 1911 o.a. het atelier van Georges Braque, kwam Duchamp rond 1912 tot een vorm van het futurisme. Ook de aandacht voor de chronofotografie van Étienne-Jules Marey (1830-1904) en de fonoscoop van Georges Demenÿ (1850-1917), waardoor een beweging kon worden vastgelegd en weergegeven, speelde misschien een rol. Zowel Trieste jongeman in een trein als Naakt, een trap afdalend was geïnspireerd op de eerste chromofotografieën van bewegende figuren van Jules Eteinne Marey. Duchamp bezocht ook een aantal keren de de eerste grote tentoonstelling van futuristische schilderijen in Parijs, die van 5 t/m 24 februari 1912 werd gehouden in de Galerie Bernheim-Jeune.

Nu descendant l'escalier

Het bekendste schilderij van Duchamp is het bijgaande schilderij Nu descendant l'escalier (=Naakt, een trap afdalend) uit 1912, dat hij in maart 1912 instuurde naar de Salon des Indépendants, maar geweigerd werd door het plaatsingscomité. In dit plaatsingscomité zaten o.a. Henri Fauconnier samen met Albert Gleizes, Fernand Léger, Jean Metzinger en Alexander Archipenko. Na een vergadering van de Puteaux kubisten, waar Duchamp niet voor was uitgenodigd, werden Jacques Villon en Raymond Duchamp-Villon naar de jongste broer gestuurd om hem te bewegen zijn schilderij terug te trekken of een andere naam te geven. Zonder iets te zeggen haalde Duchamp het schilderij weg. Het schilderij werd zonder veel ophef geëxposeerd op de kubistische tentoonstelling in Galerie Dalmau in Barcelona in mei 1912.

Duchamp vertelde over het schilderij Naakt, een trap afdalend tijdens een interview. Duchamp vond het schilderij Sonata uit 1911 zijn eerste kubistische schilderij. Hij sprak dit uit in de catalogus van een tentoonstelling van zijn werk in het Museum of Modern Art in 1973.

Eind juni 1912 ging Duchamp voor twee maanden naar München, waar hij o.a. het schilderij De overgang van de maagd naar de bruid maakte. Ook maakte hij de eerste schets voor La mariée mise à nu par ses célibataires, même (De bruid ontbloot door haar vrijgezellen, zelfs). Tegenwoordig wordt dit 'Het grote glasraam' (Large Glass) genoemd. Duchamp was uitgenodigd door Max Bergmann, die hij in 1910 in Parijs wegwijs had gemaakt in het artistieke milieu. Op 26 september 1912 bezocht Duchamp de Berlin Secession waar één zaal was ingericht met werken van jonge Franse schilders. Van Picasso zag Duchamp vier kubistische schilderijen hangen. Na zijn terugkeer in Parijs (september 1912) stuurde hij zijn schilderij 'Naakt een trap afdalend' naar de Salon de la Section d'Or, waar het met vijf andere schilderijen van hem werd tentoongesteld. Duchamp verhuisde van de Rue Amiral-de-Joinville 9 te Neuilly, een voorstad van Parijs, naar de Rue Saint-Hippolyte 23 in Parijs.

Duchamp leerde via zijn broers de Amerikaanse kunstcriticus en schilder Walter Pach kennen. Pach vroeg Duchamp deel te nemen aan de Armory-show. In augustus 1913 vergezelde Duchamp zijn zus Yvonne naar Engeland, waar zij een Engelse cursus aan het Lynton College in Herne Bay volgde. Begin september bezochten zij Londen. Hier bezocht Duchamp de National Gallery. Daar zijn schilderijen niet verkocht werden, werd hij in 1913 bibliotheekbeambte in de Bibliothèque Sainte-Geneviève, waar Picabia's oom Maurice Davanne directeur was. Duchamp die wilde stoppen met schilderen ging zelfs studeren voor bibliothecaris aan de L'École Nationale des Chartes. In oktober 1913 verhuisde Duchamp van Neuilly naar de Rue Saint-Hippolyte 23 in Parijs. Via een kaart aan Gertrude Stein, gedateerd 17 november 1913, geschreven door Gabrielle Buffet werd gevraagd of Marcel mee mocht komen bij een afgesproken bezoek.

Terwijl zijn vrienden, Apollinaire en Picabia, en zijn broers in dienst gingen bleef hij afgekeurd wegens een zwak hart achter in Parijs. Walter Pach, die in de herfst van 1914 weer terug was in Parijs, stelde Duchamp voor mee te gaan naar de Verenigde Staten. Duchamp boekte in 1915 op de Rochambeau, die op 6 juni uit Bordeaux vertrok en op 15 juni in New York aankwam. Hij maakte direct na aankomst via Walter Pach, die hem kwam afhalen, kennis met Louise en Walter Conrad Arensberg, die spoedig de belangrijkste verzamelaars van zijn werk werden. Duchamp verbleef drie maanden bij Arensberg en huurde daarna voor de maand oktober een gemeubeld appartement op Beekman Place 34 in New York. Na de maand huurde Duchamp een ruimte in het Lincoln Arcade Building op Broadway 1947.

Portret

Door o.a. zijn in februari 1913 tentoongestelde schilderij 'Naakt, een trap afdalend' op de Armory Show te New York was hij een beroemdheid geworden. Walter Pach zorgde ervoor dat Duchamp werken had op de Third Exhibition of Contemporary French Art, die vanaf 8 maart 1915 gehouden werd in de Carroll Galleries, East 44th Street 9 te New York. Een van de vijf werken was het nevenstaande schilderij Portrait uit 1911.

1915-1940

In New York ontmoette Duchamp, die bij aankomst in Amerika geen Engels sprak, via Arensberg o.a. Jean Crotti, de fotografen Man Ray en Alfred Stieglitz en vele andere kunstenaars. In oktober 1916 verhuisde Duchamp naar het appartement boven het echtpaar Arensberg p West 67th Street 33. Op 4 december 1916 begeleidde Duchamp de zussen Florine en Ettie Stettheimer naar een diner waar ook Edgar Varèse was. Hier ontmoette Duchamp de pas uit Frankrijk gekomen Franse journalist Henri-Pierre Roché. Het zou het begin zijn van een levenslange vriendschap. In New York kwam Duchamp ook zijn vriend Francis Picabia weer tegen. Op 27 september 1916 ontmoette Duchamp, toen hij op bezoek ging bij Varèse die in het ziekenhuis met een gebroken been lag, de Amerikaanse Beatrice Wood. Duchamp werkte vanaf 9 oktober 1917 ongeveer een half jaar bij de Franse militaire missie als persoonlijke secretaris van een Franse kapitein. Daarnaast gaf hij Franse les om in zijn onderhoud te voorzien en vertaalde hij voor John Quinn. In 1917 leerde Duchamp Katherine Dreier kennen bij de organisatie van de Society of Independent Artists.

adieu Florine; afm: 22,1 x 14,5 cm

Op 13 augustus 1918 ging Duchamp in New York aan boord van S.S. Crofton Hall om op 19 september 1918 aan te komen in Buenos Aires. Voor zijn vertrek gaf hij Florine Stettheimer de nevenstaande tekening met de tekst adieu à Florine Marcel Duchamp 13 aout 1918. In Buenos Aires hield Duchamp zich hoofdzakelijk bezig met schaken. Op 22 juni 1919 ging Duchamp aan boord van S.S. Highland Pride om terug te keren naar Europa. In Parijs sloot hij zich aan bij een Franse Dada-groep, die in 1920 rond de schrijver André Breton was ontstaan en bijeenkwam in Café Certà in de Passage de l'Opéra.

Het grote glasraam

Begin 1920 keerde Duchamp terug naar New York waar hij verder werkte aan het nevenstaande 'Het grote glasraam'. Op 29 april 1920 richtten Dreier, Duchamp en Man Ray de Société Anonyme Museum of Modern Art op. De Société Anonyme, waarvan Dreier voorzitter was, Duchamp en Ray ondervoorzitters waren en Archipenko en Kandinsky lid, had tot doel een collectie representatieve moderne kunst te verzamelen en tentoon te stellen. In juni 1921 keerde Duchamp met het stoomschip France terug naar Europa, waar hij zes maanden logeerde bij zijn zus Suzanne, die op 14 april 1919 getrouwd was met Jean Crotti en woonde op Rue la Condamine 22 te Parijs.

Op 28 januari 1922 voer Duchamp met het stoomschip Aquitania naar New York om verder te werken aan het Grote Glas, dat eigendom was geworden van Dreier na het vertrek van het echtpaar Arensberg naar Californië. Samen met de Franse schilder Leon Hartl (1889-1973), die in New York verbleef, probeerde Duchamp een weefselververij op te zetten, maar het werd geen zakelijk succes. Na ongeveer zes maanden stopte de onderneming. Met het stoomschip Noordam van de Holland Amerika Lijn keerde Duchamp via Rotterdam midden februari 1923 terug in Europa. In Parijs sloot Duchamp vriendschap met Constantin Brancusi en kreeg hij een relatie met de Amerikaanse weduwe Mary Reynolds.

Nadat Duchamp gestopt was met schilderen rond 1923 maakte hij zich op voor een schaakcarrière. Duchamp probeerde in zijn onderhoud te voorzien door het inkopen en verkopen van kunstwerken. Door de dood van zijn beide ouders kort na elkaar begin 1925 had hij een kleine erfenis gekregen. Zijn vader had bijgehouden hoeveel zijn kinderen geleend hadden en dit was in mindering gebracht op de erfenis. In 1926 kocht Duchamp 80 werken van Francis Picabia. Duchamp maakte de veilingbrochure met daarin een voorwoord van Rrose Sélavy. Op 8 maart 1926 werd een succesvolle veiling gehouden in Hôtel Drouot te Parijs. Ook kocht Duchamp samen met zijn vriend Roché met de hulp van mevrouw Rumsey uit de nalatenschap van John Quinn negenentwintig beelden van Constantin Brancusi. In de jaren daarna verkocht Duchamp als hij geld nodig had geleidelijk zijn aandeel stuk voor stuk aan Roché. Ook verkocht Duchamp negen werken aan Walter en Louise Arensberg.

Op 13 oktober 1926 ging Duchamp met de Paris naar New York. Hij vergezelde beelden van zijn vriend Brancusi, die bestemd waren voor een expositie in de Brummer Gallery in New York en daarna in Chicago. In New York verbleef Duchamp bij Allen Norton, die van 1911 tot 1922 officieel getrouwd was met Louise McCutcheon, op het adres West 16th Street 111. Louise (1890-1989) had o.a. een artikel over het 'kunstwerk' Fountain van R. Mutt geschreven in het kortstondige tijdschrift The Blind Man van Duchamp, Roché en Wood. In 1922 trouwde Louise met de Franse componist Edgard Varèse (1883-1965). Tijdens de tentoonstelling in New York ontmoette Duchamp Julien Levy, die hij overhaalde mee te gaan naar Europa.

trouwfoto 8-6-1927

In januari 1927 bezocht Duchamp Chicago in verband met de tentoonstelling van Brancusi bij de Art Club van 4 t/m 18 januari. Samen met Roché en Mrs. Charles Rumsey kocht Duchamp uit de nalatenschap van Quinn voor de veiling drie werken van zichzelf en de werken van Brancusi. Op 26 februari 1927 vertrok Duchamp op de France vanuit New York naar Frankrijk, waar hij ging wonen in een ghuurd appartement op de bovenste verdieping van Rue Larrey11 in Parijs. Volkomen onverwachts trouwde Duchamp met Lydie Sarazin-Levassor op 7 juni 1927. In januari 1928 eindigde het huwelijk in een scheiding.

Vanaf 1928 speelde Duchamp in schaaktoernooien en startte hij met een boek over schaken. In verband met een tentoonstelling van Brancusi en om de schade aan het Grote Glasraam te bekijken ging Duchamp op 25 oktober 1933 met de L'Île de France opnieuw naar New York. Duchamp richtte in de Brummer Gallery een tentoonstelling in met 58 beelden van Brancusi voor de tentoonstelling die van 17 november 1933 t/m 13 januari 1934 zou gehouden worden.

voorkant Boîte verte Rrose Sélavy Boîte-en-Valise

In februari 1934 keerde Duchamp terug naar Parijs waar hij begon met de productie van Boîte verte, een doos met 93 fotoducumenten, tekeningen, handgeschreven aantekeningen van 1911 tot 1915 en fotografische reproducties. Voor de jaarlijkse Parijse uitvindersbeurs, het z.g. Concours Lépine, die gehouden werd van 30 augustus t/m 8 oktober 1935, maakte Duchamp de Rotoreliefs. Duchamp begin in 1935 met de voorbereiding van het draagbare museum Boîte-en-Valise, dat in 1938 verscheen.

Op 20 mei 1936 vertrok Duchamp vanuit Le Havre met de Normandie naar New York om het Grote Glasraam te herstellen bij Dreier in West Redding, Connecticut. In augustus 1936 bezocht Duchamp het echtpaar Arensberg in Hollywood. Hij had ze zeventien jaar niet gezien. Duchamp noteerde van de werken, die het echtpaar bezat, titel, afmetingen, data en kleuren. Bij Arensberg ontmoette hij ook opnieuw Beatrice Wood, een van de vele vrouwen rond Marcel Duchamp. Op weg naar New York bracht Duchamp een bezoek aan het Cleveland Museum of Art, om daar de gegevens van Nu descendant un escalier te noteren. Het echtpaar Arensberg had het schilderij uitgeleend voor de tentoonstelling The 20th Anniversary Exhibition: The Official Art Exhibition of the Great Lakes Exposition, die van 26 juni t/m 12 oktober werd gehouden in Cleveland. Op 2 september 1936 ging Duchamp aan boord voor een reis naar Frankrijk.

Van 5 t/m 27 februari 1937 had Duchamp zijn eerste solo tentoonstelling in The Arts Club in Chicago. Het voorwoord van de catalogus werd geschreven door Julien Levy. Aan het einde van 1937 hielp Duchamp Peggy Guggenheim bij het opstarten van haar eerste galerie Guggenheim Jeune op Cork Street 30 te Londen. Na de dood van Peggy's moeder in november 1937 had Peggy dankzij de erfenis zoveel financiële middelen om in januari 1938 de galerie te openen.

1940-1968

Nadat het Duitse leger op 15 mei 1940 de Franse grens in hun opmars was gepasseerd, verliet Duchamp op 16 mei Parijs. Duchamp ging naar zijn zus Suzanne en zwager Jean Crotti, die verbleven aan de kust in Arcachon, een plaats in de buurt van Bordeaux. Spoedig voegde Mary Reynolds zich bij hen. In september 1940 keerden Duchamp en Reynolds terug naar Parijs, waar Duchamp zijn werk aan het Boîte-en-Valise voortzette. In januari 1941 had hij zijn eerste box klaar en schonk het aan Peggy Guggenheim als dank voor de financiële ondersteuning. Roché zorgde ervoor dat zij het cadeau kreeg.

Boîte-en-Valise

Ondanks de reisrestricties kon Duchamp al zijn benodigheden voor zijn Boîte-en-Valise tijdens drie reizen overbrengen naar zijn zus Suzanne, die een huis had in Sanary bij Marseille. Dankzij zijn vriend Gustave Candel kon Duchamp als 'kaashandelaar' de reizen maken tussen het bezette deel van Frankrijk en de z.g. vrije zone. Samen met de kunstwerken van Peggy Guggenheim werden Duchamps materialen voor de Boîte-en-Valise in het voorjaar van 1941 vanuit Marseille verscheept naar New York. Duchamp verbleef elf maanden in Sanary, wachtend op zijn paspoort, uitreisvisa en inreisvisa voor de V.S.

West 14th Street

Op 14 mei 1942 vertrok Duchamp vanuit Marseille met de Maréchal Lyautey naar Casablanca, waar hij achttien dagen verbleef. Met het vliegtuig ging Duchamp daarna naar Lissabon en vandaar met de Serpa Pinto naar New York. Lange tijd verbleef Duchamp in het appartement van Peggy Guggenheim en Max Ernst op East Forty-first Street 440 en daarna bij Frederick Kiesler op Seventh Avenue 56. In New York ontmoette Duchamp onder de vluchtelingen vele bekenden uit Parijs, zoals Fernand Léger en Piet Mondriaan. In 1943 huurde Duchamp een appartement op de bovenste verdieping van West 14th Street210 in New York.

Le Passage de la vierge à la mariée; afm: 59,4 x 54 cm

In december 1945 kocht het Museum of Modern Art van Walter Pach het bijgaande schilderij The Passage from Virgin to Bride (=De overgang van maagd naar bruid) van Duchamp uit 1912. Het was het eerste schilderij aangekocht door een museum. Volgens de informatie van het museum had Pach het werk in 1915 gekregen van Duchamp.

Na de Tweede Wereldoorlog ging Duchamp in mei 1946 terug naar Frankrijk om zijn familie te zien, zijn visum in orde te maken en te proberen namens James Johnson Sweeney werken van Picabia, Brancusi, Delaunay en anderen te verkrijgen voor het Museum of Modern Art. In januari 1947 kon Duchamp met een nieuw visum naar New York afreizen. Nadat Duchamp hoorde, dat Mary Reynolds ernstig ziek was, reisde hij op 19 september 1950 af naar Parijs. Na haar dood op 30 september regelde Duchamp o.a. de crematie en het versturen van haar bezittingen naar Reynolds' broer.

Meer dan veertig belangrijke werken van Duchamp werden door het echtpaar Arensberg op 28 december 1950, via de speciaal opgerichte Francis Bacon Foundation, ondergebracht in het Philadelphia Museum. Louise en Walter Arensberg overleden resp. op 25 november 1953 en 29 januari 1954. In 1954 had Duchamp gezondheidsproblemen. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis voor een blindedarmontsteking en toen hij herstelende was kreeeg hij een longontsteking. Een maand later werd hij in het ziekenhuis opgenomen voor een prostaatoperatie. Duchamp hield zich daarna bezig met de inrichting van de Arensbergcollectie in Philadelphia.

fam Duchamp en Dali, 1958

Op 16 januari 1954 trouwde Duchamp met Alexina Sattler, roepnaam Teeny. Zij was gescheiden van Pierre Matisse, de zoon van Henri Matisse. Het echtpaar ging wonen op East 58th Street 327 in New York City. Het was het begin van vele openbare optredens. Dankzij inspanningen van Alfred Barr Jr., James Thrall Soby en Nelson A. Rockefeller werd Duchamp op 30 december 1955 Amerikaans staatsburger. Vanaf 1958 bracht het echtpaar jaarlijks de zomer door in Parijs en het Spaanse Cadaqués. Salvador en Gala Dalí, die woonden in het nabij gelegen Port Lligat, trokken met de familie Duchamp op. In 1959 verhuisde het echtpaar Duchamp naar West 10th Street 28 in New York. In 1962 onderging Duchamp een tweede prostaatoperatie.

Pasadena 1963 Op 8 oktober 1963 was de opening van de eerste grote retrospectieve tentoonstelling van werken in het Pasadena Art Museum onder de naam By or of Marcel Duchamp or Rrose Sélavy, die samengesteld was door Walter Hopps en duurde tot 3 november. In de eerste zaal hing het vroege werk, in de tweede tekeningen en zaken die met het schaken te maken hadden en in de derde zaal de kubistische werken. In de hoofdzaal een replica van het 'grote glasraam', afkomstig van het Moderna Museet in Stockholm, en de ready-mades. In de twee laatste zalen waren de optische werken en de Boîte-en-valise (=draagbaar museum) tentoongesteld. In totaal waren 114 werken te zien.

Las Vegas 1963

De bevriende kunstenaar en kunsthandelaar William Copley, die in 1948 een luxe versie van het draagbaar museum van Duchamp had gekocht, nodigde o.a. Duchamp uit voor een trip naar Las Vegas. Op bijgaande foto van het uitje zitten vlnr Teeny Duchamp, de Engelse pop art kunstenaar Richard Hamilton (1922-2011), Betty Factor (1924-2006), Copley, Monte Factor (1917-2011), Walter Hopps, de latere galeriehoudster Betty Asher (1914-1994) en Duchamp. Het echtpaar Monte en Betty Factor had een succesvol kledingzaak voor mannen en was via Hopps in contact gekomen met de kunstenaars en galeriehouders in Los Angeles en had een kunstverzameling opgebouwd. Duchamp en Teeny, die voor de tentoonstelling in California waren, brachten een bezoek aan Beatrice Wood in Ojai.

In de zomer van 1966 werd van 18 juni t/m 31 juli in de Tate Gallery te Londen de tentoonstelling The Almost Complete Works of Marcel Duchamp gehouden. Richard Hamilton bracht 184 werken te samen en maakte zelf aan de hand van de originele tekeningen een replica van Het Grote Glasraam. Duchamp bezocht de tentoonstelling.

grafsteen

Op 1 oktober 1968 kwamen Man Ray en Robert Lebel dineren bij Duchamp en Teeny in Neuilly-sur-Seine, een voorstad van Parijs. 's Nachts (2 oktober 1968) overleed Marcel Duchamp aan een hartaanval. Zijn as werd bijgezet in het familiegraf op het Cimetière Monumental te Rouen. Op zijn gedenksteen staat: D'ailleurs, c'est toujours les autres qui meurent (=Trouwens, het zijn altijd anderen die sterven). Volgens de hiernaast afgebeelde grafsteen waren hier ook zijn oudere broers Raymond en Jacques, zijn zus Suzanne en schoonzus Gaby bijgezet. Later werden ook zijn schoonzus Yvonne en zijn vrouw Alexina bijgezet.

Na Duchamps dood werd op 7 juli 1969 een nieuwe ruimte geopend in het Philadelphia Museum of Art om het laatste werk van Duchamp, Etant Donnés, tentoon te stellen waaraan hij meer dan twintig jaar min of meer in het geheim had gewerkt in New York. Copley zorgde met zijn Cassandra Foundation ervoor dat dit gerealiseerd werd. Stiefzoon Paul Matisse en Anne d'Harnoncourt namens het museum ontmantelden het werk aan de hand van door Duchamp achtergelaten instructies en stelden het weer samen in Philadelphia.

Duchamp is de uitvinder van de ready-made d.w.z. mechanisch gemaakte dingen, die tot kunstwerk worden verheven. Bijvoorbeeld: een flessenrek, dat hij in 1914 gesigneerd exposeerde, een urinoir met als titel Fontein (1917) en 'het grote glas' (1915-1926). Zijn visie op het kunstenaarschap en op de betekenis van kunst oefenden een enorme invloed uit op de moderne kunst. In oktober 1965 werd in Galerie Creuze te Parijs de schilderijenreeks La Fin tragique de Marcel Duchamp gehouden. De werken waren van Gilles Aillaud, Eduardo Arroyo en Antonio Recalcati. Nu zijn de schilderijen te zien in het Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofia te Madrid.

In 1969 verscheen The Complete Works of Marcel Duchamp geschreven door Arturo Schwarz.

kunstwerktiteljaarnu te zien in
Portret van schaakspelersPortret van schaakspelers1911Philadelphia Museum of Art
De sonate, afm.: 145 x 113 cmDe sonate1911Philadelphia Museum of Art
Yvonne en Magdaleine aan flarden gescheurdYvonne en Magdaleine aan flarden gescheurd1911Philadelphia Museum of Art
PortretPortret1911Philadelphia Museum of Art
Trieste jongeman in een treinTrieste jongeman in een trein1911Peggy Guggenheim Collectie
Naakt, een trap afdalend, no 1Naakt, een trap afdalend, no 11911Philadelphia Museum of Art
Naakt, een trap afdalend, no 2, afm.: 96 x 60 cmNaakt, een trap afdalend, no 2
Nude Descending a Staircase
1912Philadelphia Museum of Art
De koning en de koningin omgeven door snelle naaktenDe koning en de koningin omgeven door snelle naakten1912Philadelphia Museum of Art
Studie voor De MaagdStudie voor De Maagd1912Philadelphia Museum of Art
De overgang van maagd naar bruidDe overgang van maagd naar bruid1912Museum of Modern Art, New York
De BruidDe Bruid1912Philadelphia Museum of Art
Het grote glasraamHet grote glasraam1915-1923Philadelphia Museum of Art

Bronnen en verdere informatie

  • Ecke Bonk: Marcel Duchamp; The Box in a Valise, New York 1989, ISBN: 084780979X.
  • Ecke Bonk: Marcel Duchamp: Die grosse Schachtel, München 1989.
  • Pierre Cabanne: Gesprekken met Marcel Duchamp, Amsterdam 1991, ISBN: 9029082607.
  • Pierre Cabanne: Les 3 Duchamp. Parijs 1975.
  • Pontus Hulten: Marcel Duchamp, Cambridge (MA-USA) 1993, ISBN: 026208225X.
  • Francis M. Naumann: Marcel Duchamp of de kunst om [niet] in herhaling te vervallen, Antwerpen 1999, ISBN: 9061534399.
  • Calvin Tomkins: Duchamp, New York 1996, ISBN: 0805008233.
  • Calvin Tomkins: De wereld van Marcel Duchamp, Time-Life International 1970.
  • Larry Witham: Picasso and the Chess Player: Pablo Picasso, Marcel Duchamp, and the Battle for the Soul of Modern Art, 2013, ISBN: 978-1-61168-253-3.
  • Anne d'Harnoncourt en Kynastion McShine: Marcel Duchamp, New York 1973, ISBN: 0-87070-296-3. Dit boek is verschenen bij de tentoonstelling Marcel Duchamp die gehouden werd in het Philadelphia Museum of Art, The Museum of Modern Art in New York en The Art Institute of Chicago.
  • Robert Lebel: Sur Marcel Duchamp, 1959, ISBN: 978-2858508938. Het boek met bijdragen van Marcel Duchamp, André Breton en H. P. Roché werd in 1959 door George Heard Hamilton vertaald in het Engels met als titel Marcel Duchamp. In 1962 verscheen een Duitse vertaling.
  • Octavio Paz: Marcel Duchamp, Appearance Stripped Bare, New York 1990, ISBN: 978-1559701389.

top Laatste wijziging: 040515