Picasso kwam in oktober 1900 met zijn vriend Carles Casagemas voor het eerst naar Parijs, waar zij eerst verbleven bij de Spaanse schilder Isidre Nonell, die Picasso kende uit Barcelona, en daarna in het ateliergebouw in Rue de Ravignan 13, Montmartre. Hier woonden vele Catalaanse schilders. In juni 1901 was Picasso opnieuw in Parijs en woonde hij tijdelijk op het adres Boulevard de Clichy 130ter. In 1902 was Picasso opnieuw in Parijs. Hij verbleef eerst enige tijd in een goedkoop hotel en toen zijn geld op was trok hij in bij Max Jacob, die in 1901 contact had gezocht met Picasso.
Rue de Ravignan 13 (kaartaanduiding) |
|
Boulevard de Clichy 11, Montmartre (kaartaanduiding) |
|
Boulevard Raspail 242, Montparnasse (kaartaanduiding) |
|
In het boek Picasso The real family story uit 2004, geschreven door Picasso's kleinzoon Olivier Widmaier Picasso wordt als huisnummer 228 opgegeven. |
Rue Schoelcher 5bis (kaartaanduiding) |
|
|
Rue Victor Hugo 22, Montrouge (kaartaanduiding) |
![]() Om niet steeds herinnerd te worden aan de dood van Eva in zijn atelier verhuisde Picasso in 1916 naar de Rue Victor Hugo 22 in de Parijse voorstad Montrouge. Op 19 oktober 1916 liet Picasso zijn nieuwe adres bij de politie registreren. Ondanks dat Olga Khokhlova, die hij in 1917 in Rome ontmoet had en waarmee hij op 12 juli 1918 was getrouwd, weigerde in Montrouge te gaan wonen, keerden Picasso en Olga na de terugkeer van zijn huwelijksreis naar Biarritz op 27 september 1918 terug naar Montrouge. Denkelijk verliet Picasso half oktober 1918 het huis in Montrouge, daar hij t/m 19 december rekeningen van het Hôtel Lutétia betaalde. Er zijn rekeningen bekend van 14 tot 27 oktober, 11 tot 17 november en van 25 november tot 19 december voor het appartment 433. |
Rue la Boétie 23 (kaartaanduiding) |
![]() ![]()
Op 8 oktober 1918 huurde Picasso een appartement in de Rue la Boétie 23 te Parijs. Hij en Olga Khokhlova hadden daar twee verdiepingen, waarvan de bovenste was ingericht als atelier. Aangezien na de koop nog het een en ander verbouwd moest worden verbleven Picasso en Olga enige tijd in Hôtel Lutetia op de Boulevard Raspail. Een week voor kerstmis 1918 betrokken Picasso en Olga het appartement. Picasso's kunsthandelaar Paul Rosenberg woonde naast hem op nummer 21. Op de nevenstaande foto is links het schilderij Gitaar en klarinet op een schoorsteenmantel van Picasso uit 1915 te zien en rechts bovenaan het werk Pijp uit 1918. Dit werk is gebruikt voor een tapijt voor Helena Rubinstein. Zie webpagina Kubistische (wand)tapijten. De delen van het kamerscherm achter Olga waren oorspronkelijk bedoeld voor Hamilton Easter Fields Brooklyn Bibliotheek. In 1911 had Field opdracht gegeven voor elf kubistische delen, maar door het uitbreken van de Eerste Werldoorlog en geen betaling hergebruikte Picasso een aantal delen in de winter van 1917-1918. Nadat Picasso op 29 juni 1935 de eerste stap had gezet naar een scheiding vertrok Olga met hun zoon Paulo naar Hôtel California in de rue de Berri. In de loop van 1937 vroeg Picasso zijn oude vriend Jaime Sabartès om bij hem te komen wonen en Sabartès en zijn vrouw trokken in bij Picasso. Sabartès werd de secretaris van Picasso. In augustus 1951 werd na het verliezen van een rechtzaak het onbewoonde appartement gevorderd door de gemeente Parijs in verband met het grote tekort aan woningen. |
Rue des Grands Augustins 7 (kaartaanduiding) |
Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde Picasso onopvallend in de Rue des Grands Augustins, waar op 27 april 1944 de nevenstaande foto door Brassaï werd genomen. van links naar rechts staan Manuel Ortiz de Zarate, Françoise Gilot, Apel-les Fenos, Jean Marais, Pierre Reverdy, Picasso, Jean Cocteau en Brassaï. In het voorjaar van 1967 moest Picasso de woning en het atelier in de Rue des Grands Augustins 7 verlaten, daar hij de laatste twaalf jaar de woning niet meer had gebruikt. |