Parijse ateliers van Pablo Picasso.

Picasso kwam in oktober 1900 met zijn vriend Carlos Casagemas voor het eerst naar Parijs, waar zij eerst verbleven bij de Spaanse schilder Isidre Nonell, die Picasso kende uit Barcelona, en daarna in het ateliergebouw in Rue de Ravignan 13, Montmartre. Hier woonden vele Catalaanse schilders. In juni 1901 was Picasso opnieuw in Parijs en woonde hij tijdelijk op het adres Boulevard de Clichy 130ter. In 1902 was Picasso opnieuw in Parijs. Hij verbleef eerst enige tijd in een goedkoop hotel en toen zijn geld op was trok hij in bij Max Jacob, die in 1901 contact had gezocht met Picasso.

Rue de Ravignan 13 (kaartaanduiding)

voorkant Rue de Ravignan, 1918

In april 1904 betrok Picasso het atelier van zijn vriend, de beeldhouwer Paco Durio, die vanaf 1901 hier had gewoond en verhuisde naar de Impasse Girardon. Picasso bleef tot 1912 werken en wonen in het ateliergebouw Le Bateau-Lavoir in de Rue Ravignan 13 in de Parijse wijk Montmartre. (Nu Place Emile Goudeau.) Picasso leefde van 1904 tot 1909 samen met Fernande Olivier. Na een korte periode van afwezigheid keerde Fernande terug bij Picasso in Bateau-Lavoir.


Boulevard de Clichy 11, Montmartre (kaartaanduiding)

Boulevard de Clichy 11
Doordat Picasso zijn schilderijen steeds beter verkocht had hij meer financiën. Hierdoor was Picasso in staat om samen met Fernande in september 1909 een huis te betrekken aan de Boulevard de Clichy 11 in Montmartre. Zijn atelier in Le Bateau-Lavoir hield hij aan als opslagruimte. Aanvankelijk wilde Picasso op woensdagmiddag 15 september een vernissage (=feestelijke opening bij een tentoonstelling) houden om zijn vrienden zijn nieuwe woning te laten zien en zijn schilderijen te tonen, die hij 's zomers had gemaakt in de Spaanse plaats Horta de Ebro. Daar de woning niet klaar was, werd de vernissage een dag uitgesteld. Nadat Picasso en Eva Gouel de zomer van 1912 hoofdzakelijk in Sorges hadden doorgebracht, keerden zij op 1 september terug naar de Boulevard de Clichy om alles van Picasso in te pakken, daar Fernande de officiële huurster van het appartement was. Nadat de problemen met de huur waren opgelost keerden Picasso en Eva na veertien dagen voor slechts een week terug naar Sorges. Kahnweiler had ondertussen voor Picasso een appartement gehuurd op Boulevard Raspail 242 in de Parijse wijk Montparnasse.

Boulevard Raspail 242, Montparnasse (kaartaanduiding)

Boulevard Raspail 242, Parijs 1913

In het boek Picasso The real family story uit 2004, geschreven door Picasso's kleinzoon Olivier Widmaier Picasso wordt als huisnummer 228 opgegeven.

Op 23 september 1912 stuurde Picasso een telegram aan Kahnweiler, dat hij de volgende dag in Parijs zou zijn. Kahnweiler had het appartement, dat deel uit maakte van de Cité Nicolas Poussin, voor een jaar gehuurd. Op 1 oktober betrokken Picasso en Eva het appartement. In augustus 1913 schreef Eva aan Gertrude Stein, dat Picasso en zij een groter appartement had gevonden, n.l. Rue Schoelcher 5 bis. Het appartement met atelier lag om de hoek van dat aan de Boulevard Raspail.

Rue Schoelcher 5bis (kaartaanduiding)

Rue Schoelcher 5bis, Parijs 1913


Vanaf oktober 1913 tot 1916 woonde en werkte Picasso in de Rue Schoelcher 5bis. Tot haar dood op 14 september 1915 woonde Eva samen met Picasso.

Rue Victor Hugo 22, Montrouge (kaartaanduiding)

Montrouge, 1916 Olga Montrouge, 1917-8
Om niet steeds herinnerd te worden aan de dood van Eva verhuisde Picasso in 1916 naar de Rue Victor Hugo 22 in de Parijse voorstad Montrouge. Op 19 oktober 1916 liet Picasso zijn nieuwe adres bij de politie registreren. Hij woonde er denkelijk al eerder, daar Irene Lagut in augustus 1916 introk bij Picasso. Denkelijk duurde de affaire tot begin 1917. Ondanks dat Olga Khokhlova, die hij in 1917 in Rome ontmoet had en waarmee hij op 12 juli 1918 was getrouwd, weigerde in Montrouge te gaan wonen, gingen Picasso en Olga eind september 1918 naar Montrouge na de terugkeer van hun huwelijksreis naar Biarritz. Dit kwam misschien mede door een inbraak tijdens hun afwezigheid. In een brief geschreven op 28 september 1918 aan Apollinaire vroeg Picasso te gaan kijken. Denkelijk verliet Picasso half oktober 1918 het huis in Montrouge, daar hij t/m 19 december rekeningen van het Hôtel Lutétia betaalde. Er zijn rekeningen bekend van 14 tot 27 oktober, 11 tot 17 november en van 25 november tot 19 december voor het appartement 433.

Rue la Boétie 23 (kaartaanduiding)

Olga Rue la Boétie, 1921Pipe, afm.: 27 x 35 cm, 1918Gitaar en klarinet op een schoorsteenmantel, afm.: 130 x 97 cm, 1915

Op 8 oktober 1918 huurde Picasso een appartement in de Rue la Boétie 23 te Parijs. Hij en Olga Khokhlova hadden daar twee verdiepingen, waarvan de bovenste was ingericht als atelier. Aangezien na de koop nog het een en ander verbouwd moest worden verbleven Picasso en Olga enige tijd in Hôtel Lutetia op de Boulevard Raspail. Een week voor kerstmis 1918 betrokken Picasso en Olga het appartement. Picasso's kunsthandelaar Paul Rosenberg woonde naast hem op nummer 21. Op de nevenstaande foto is links het schilderij Gitaar en klarinet op een schoorsteenmantel van Picasso uit 1915 te zien en rechts bovenaan het werk Pijp uit 1918. Dit werk is gebruikt voor een tapijt bestemd voor Helena Rubinstein. Zie webpagina Kubistische (wand)tapijten. De delen van het kamerscherm achter Olga waren oorspronkelijk bedoeld voor Hamilton Easter Fields Brooklyn Bibliotheek. In 1911 had Field opdracht gegeven voor elf kubistische delen, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en geen betaling hergebruikte Picasso een aantal delen in de winter van 1917-1918.

Nadat Picasso op 29 juni 1935 de eerste stap had gezet naar een scheiding vertrok Olga met hun zoon Paulo naar Hôtel California in de Rue de Berri. In de loop van 1937 vroeg Picasso zijn oude vriend Jaime Sabartès om bij hem te komen wonen en Sabartès en zijn vrouw trokken in bij Picasso. Sabartès werd de secretaris van Picasso. In augustus 1951 werd na het verliezen van een rechtszaak het onbewoonde appartement gevorderd door de gemeente Parijs in verband met het grote tekort aan woningen.

Rue des Grands Augustins 7 (kaartaanduiding)

Rue des Grands Augustins, 1937

In mei 1937 verhuisde Picasso naar de Rue des Grands Augustins 7. Om de hoek woonde Dora Maar, die haar eigen woning in de Rue de Savoié had. Na de verhuizing begon Picasso direct aan Guernica. Het schilderij was een herinnering aan het bombardement op de Spaanse plaats Guernica door Duitse vliegtuigen op 26 april 1937 tijdens de Spaanse Burgeroorlog, die op 17 juli 1936 was begonnen. Dora Maar fotografeerde het hele schildersproces. Nadat het schilderij in juni klaar was werd het opgehangen in het Spaanse paviljoen van de Wereldtentoonstelling in Parijs. Tijdens de tentoonstelling Van Picasso tot Tápies die van 27 oktober 2001 t/m 17 februari 2002 werd gehouden in het Gemeentemuseum van Den Haag was een kopie van het schilderij en een groot aantal foto's te zien.

Rue des Grands Augustins, 1944

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde Picasso onopvallend in de Rue des Grands Augustins, waar op 27 april 1944 de nevenstaande foto door Brassaï werd genomen. Van links naar rechts staan Manuel Ortiz de Zarate, Françoise Gilot, Apel-les Fenos, Jean Marais, Pierre Reverdy, Picasso, Jean Cocteau en Brassaï.

Gedenkplaat Rue des Grands Augustins

In het voorjaar van 1967 moest Picasso de woning en het atelier in de Rue des Grands Augustins 7 verlaten, daar hij de laatste twaalf jaar de woning niet meer had gebruikt. Later werd de nevenstaande gedenkplaat aangebracht.

Laatste wijziging: 061111