Het kubistische beeld van Fernande (1909).

Hoofd van een vrouw, 1909

Nadat Picasso de zomer van 1909 had doorgebracht in de Spaanse plaats Horta de Ebro betrok Pablo Picasso zijn nieuwe atelier aan de Boulevard de Clichy 11 te Montmartre. Gewapend met in Horta gemaakte schetsen ging Picasso naar het atelier van zijn Catalaanse vriend, de beeldhouwer Manolo (pseudoniem voor Manuel Hugué), en maakte met klei het ontwerp Tête de femme (Fernande) in de periode eind september of oktober 1909. Daarna maakte Picasso een gipsen afgietsel, dat hij met een vijl bewerkte. Hierdoor kreeg het beeld het hoekige, dat ook in zijn schilderijen te zien was. Het beeld was het voorbeeld voor de latere kubistische beelden van Alexander Archipenko, Raymond Duchamp-Villon, Henri Laurens, Jacques Lipchitz en Ossip Zadkine.

In de catalogus Cézanne to Picasso: Ambroise Vollard, patron of the Avant-Garde, die hoorde bij de gelijknamige tentoonstelling in The Metropolitan Museum of Art te New York (14 september 2006 t/m 7 januari 2007) en het Art Institute of Chicago (17 februari t/m 12 mei 2007), schreef Diana Widmaier Picasso, de kleindochter van Picasso en Marie-Thérèse Walter, dat Ambroise Vollard herhaaldelijk in 1909 geld aan Picasso betaalde, waar geen vermelding naar schilderijen voor bekend zijn: op 10 mei 1909 2200 FF, op 14 oktober 1909 1000 FF en op 5 november 1909 1000 FF. Misschien waren deze bedragen een voorschot voor vijf beelden en het recht op reproductie van de beelden, waaronder het kubistische beeld van Fernande uit 1909. De andere vier waren de hieronderstaande beelden: Hoofd van een Nar uit 1905, Borstbeeld van een man (Josep Fondevila) uit 1906, Knielende vrouw haar haar kammend uit 1906 en Hoofd van Fernande uit 1906. Vollard had ervaring met het laten maken van bronzen beelden van gipsen afgietsels van werken van o.a. Aristide Maillol en Auguste Renoir. Volgens de memoirs van Fernande Olivier viel de verkoop van de beelden samen met het schilderen van de kubistische schilderijen van de drie kunsthandelaren Wilhelm Uhde, Vollard en Daniel-Henri Kahnweiler.

Boulevard de Clichy 11, 1911

Vollard zou Picasso van elke origineel beeld een bronzen afdruk geven. Op nevenstaande foto uit 1911, genomen in Picasso's atelier op Boulevard de Clichy 11, zien we op de voorgrond drie bronzen beelden, v.l.n.r. Hoofd van een Nar uit 1905, Hoofd van Fernande uit 1906 en het kubistische beeld van Fernande uit 1909.



Hoofd van een Nar, 1905 Borstbeeld van een man, 1906 Knielende vrouw haar haar kammend, 1906 Hoofd van Fernande, 1906

Vollard sloot geen schriftelijk contract met Picasso en was daardoor in staat zoveel bronzen beelden te laten maken als hij wenste. Nummering was niet verplicht. Pas op 1 januari 1968 werd een Franse wet van kracht, waarbij het verplicht werd een nummering aan te geven. Bovendien mochten maximaal 8 bronzen beelden voor de verkoop van een ontwerp gemaakt worden en 4 exemplaren voor de kunstenaar als proef. Volgens Valerie J. Fletcher, die samen met Jeffrey Weiss en Kathryn A. Tuma het boek schreef Picasso: the cubist portraits of Fernande Olivier, zijn er 18 exemplaren van het kubistische beeld van Fernande uit 1909 gemaakt. Het boek verscheen in 2003 bij de gelijknamige tentoonstelling, die van 1 oktober 2003 t/m 18 januari 2004 in de National Gallery of Art te Washington D.C. en van 15 februari t/m 9 mei 2004 in het Nasher Sculpture Center te Dallas (Texas).

Aangezien de kwaliteit van de bronzen beelden niet steeds hetzelfde is, denkt men dat Vollard verschillende bronsgieterijen heeft gebruikt, daar hij denkelijk pas een bronzen beeld liet maken, als hij een koper had. In het begin van de twintigste eeuw waren er grote en kleine bronsgieterijen in Parijs. Vollard heeft in ieder geval zaken gedaan met de firma Maucuit & Cie in de rue Delambre, de firma Bingen et Costenoble in de rue Bezout 26, de firma Florentin Godard in de rue Compas 78 en later rue de Belleville 248 en met Claude Valsuani, die sinds 1905 een bedrijf had in de rue des Plants 74. In 1913 splitste de firma Bingen et Costenoble zich en ging Jean-Augustin Bingen verder op een ander adres, terwijl Costenoble tot 1920 op het oude adres werkzaam bleef. Denkelijk werkte Vollard vanaf 1908 met Florentin Godard (1877-1956). Diana Widmaier Picasso vond slechts drie archiefboeken bij de firma Godard. In december 1910 bestelde Vollard bij Godard voor 900 FF aan bronzen beelden, waaronder twee hoofden.

Verkoop via Vollard

Vollard, 1932
  • De Tsjechische verzamelaar Vincenc Kramár zou op 26 mei 1911 het eerste bronzen exemplaar van Vollard kopen. Het exemplaar bevindt zich nu in de Národní Galerie te Praag.
  • Op 15 januari 1912 verkocht Vollard een exemplaar voor 600 FF aan Edward Steichen, dat bestemd was voor Alfred Stieglitz. Stieglitz leende zijn exemplaar uit aan de Armory Show in 1913. Stieglitzs weduwe, de schilderes Georgia O'Keeffe, schonk het beeld in 1949 aan The Art Institute of Chicago.
  • Tussen februari 1912 en november 1913 verkocht Vollard twee exemplaren van het kubistische beeld van Fernande uit 1909 aan Alfred Flechtheim en één aan Thannhauser.
  • In januari en in maart 1927 verkocht Vollard een exemplaar van het kubistische beeld van Fernande uit 1909 aan Justin K. Thannhauser voor 8000 FF. De kosten van het bronsgieten was van 300 FF in 1913 opgelopen naar 2600 FF in 1927. Denkelijk is één van deze beelden of die uit 1912-1913 door Justin Thannhauser, die na een verblijf vanaf 1936 Parijs in 1940 naar New York vluchtte, in november 1948 verkocht aan Ralph Hubbard Norton (1875–1953). Het beeld werd in 1953 vermaakt aan het door Norton en zijn vrouw in 1941 opgerichte Norton Museum of Art in West Palm Beach, Florida.
  • Vollard verkocht een kubistische beeld van Fernande uit 1909 aan Gottlieb Reber, daar het aanwezig was op twee foto's van Reber uit 1924.
  • William Aspenwall Bredley, een Parijse kunsthandelaar, bestelde op 29 juli 1926 bij Vollard voor de Amerikaan Erhard Weyhe een Tête cubiste. De bronsgieterij Godard maakte op 2 februari 1927 het beeld en Vollard stuurde op 8 februari 1927 de rekening, groot 8.000 FF. Op 11 maart 1927 werd het beeld verstuurd naar de Verenigde Staten. Erhard Weyhe was vlak voor de Eerste Wereldoorlog uit Engeland naar de Verenigde Staten geëmigreerd en ging spoedig kunstboeken verkopen. In 1923 opende hij de Weyhe Book Store and Gallery, Lexington Avenue 794 te New York. Weyhe hield in zijn zaak tentoonstellingen en gaf ook het kunsttijdschrift The Checkerboard uit. Weyhe leende zijn beeld uit aan de tentoonstelling Cubism and Abstract Art in het Museum of Modern Art te New York in 1936 en de tentoonstelling Picasso: Forty Years of His Art in hetzelfde museum in 1939. Na Weyhes dood in 1972 zette zijn dochter Gertrude Dennis-Weyhe de zaak tot de zomer van 1991 op dezelfde plek voort. Daarna werd de ruimte verhuurd aan de franchiseketen Glendale Bakery. Gingen eerst de boeken als warme broodjes over de toonbank, nu gaan de echte. Het beeld behoort nu tot de Leonard Lauder Collection, die ondergebracht is in Withney Museum te New York. Leonard Lauder is medeeigenaar van het cosmeticaconcern Estée Lauder en 'chairman' van het Withney Museum
  • Ook Vollard had een exemplaar, zoals te zien is op nevenstaande foto, die genomen was rond 1932.

Na Vollards dood in 1939 kwam het model, gemaakt van gips, terecht bij de kunsthandelaar Jacques Ulmann. Heinz Berggruen kocht in 1959 van Ulmann het gipsmodel en de reproductierechten en verkreeg Picasso's toestemming om nieuwe afdrukken te laten maken. In 1959 werd bij de firma Valsuani volgens de nummering negen exemplaren gemaakt in opdracht van Berggruen. Picasso kreeg volgens afspraak drie bronzen beelden. Het gipsmodel werd volgens afspraak teruggegeven aan Picasso, maar gebruikelijk was dat voor het gieten twee gipsmodellen werden gemaakt, een 'master' en een werkmodel. Het tweede exememplaar van gips met een dunne geelachtige beschermlaag was in het bezit van Ulmann. Na de dood van Picasso erfde Marina Picasso het beeld, dat zij via de Jan Krugier Gallery verkocht aan de kunstverzamelaars Raymond en Patsy Nasher. Het bevindt zich nu in het Nasher Sculpture Center te Dallas.

Het Museum of Modern Art te New York kocht in 1940 een exemplaar van Curt Valentin (1902-1954). Het was het eerste exemplaar van het kubistische beeld van Fernande, dat eigendom werd van een museum. Curt Valentin werkte eind twintiger jaren bij Alfred Flechheim in Berlijn en vanaf 1934 bij de galerie van Karl Buchholz in Hamburg. In 1937 ontvluchtte Valentin Duitsland met een groot aantal schilderijen en opende hij in New York de Buchholz Gallery in de West Forty-sixth Street. Twee jaar laten verhuisde de galerie naar de West Fifty-seventh Street en in 1951 werd de naam veranderd in Curt Valentin Gallery. Na Valentins dood in augustus 1954, toen hij in Italië op bezoek was bij Marino Marini, werd de galerie in 1955 gesloten. Het archief van Valentin bevindt zich in het Museum of Modern Art te New York.

In mei 1940 verkocht Curt Valentin een kubistische beeld van Fernande aan Walter Chrysler Jr. (1909-1988), zoon van de autofabrikant. Chrysler was al op jonge leeftijd met verzamelen begonnen en bezocht na zijn schoolopleiding aan het Dartmouth College een reis naar Europa, waar hij in Parijs ontmoetingen had met o.a. Picasso, Braque, Gris, Léger en Matisse. In 1958 bracht Chrysler zijn collectie onder in het Chrysler Art Museum in Provincetown, Massachusetts. De groei van zijn collectie zorgde ervoor, dat in 1971 de collectie verhuisde naar het Norfolk Museum of Arts and Sciences, dat vanaf die tijd het Chrysler Museum of Art werd genoemd. Op 15 november 1989 werd het beeld via het veilingshuis Sotheby's te New York aan een verzamelaar verkocht. De persoon moest voor $ 2,75 miljoen betalen.

In 1948 kocht het Art Gallery of Ontario te Toronto een exemplaar bij de Zwemmer Gallery in Londen. Het museum is vanaf 7 oktober 2007 tot eind 2008 gesloten, wegens een grote uitbreiding. De Nederlander Anton Zwemmer (1892-1979) was in 1914 naar Londen verhuisd en ging werken in een kleine boekhandel op Charing Cross Road 79, die gespecialiseerd was in het importeren van buitenlandse boeken. Na de overname in 1922 specialiseerde Zwemmer zich in het verkopen, maar ook uitgeven van literatuur- en kunstboeken. In 1929 opende Anton Zwemmer boven zijn boekhandel een galerie (Litchfield Street 26?), waar vooral hedendaagse kunst werd tentoongesteld.

In 1948 kocht de Albright-Knox Art Gallery in Buffalo, een plaats in de staat New York vlakbij de Canadese grens, bij Curt Valentin een exemplaar van het kubistische beeld van Fernande uit 1909. Via de website van dit museum is helaas niet te achterhalen of het werk nog tentoongesteld wordt.

In 1952 kocht het Portland Art Museum in de Amerikaanse staaat Oregon bij Curt Valentin te New York een exemplaar van het beeld. Volgens Valentin was dit exemplaar afkomstig van Lucien Vollard, één van de erfgenamen van Ambroise Vollard. Via de website van dit museum is het beeld, waarvan het gezicht bruinachtig en de rest zwart gekleurd is, te bekijken.

Het Metropolitan Museum of Art te New York bezit sinds 1996 een exemplaar uit de nalatenschap van Florence Schoenborn. Het werk was door haar en haar tweede echtgenoot Samuel Marx in 1951 gekocht bij Curt Valentin. Florence, die snds 1986 weduwe was van haar derde echtgenoot Wolfgang Schoenborn, stierf in augustus 1995 en liet 18 kunstwerken na aan het Metropolitan Museum of Art en 14 aan het Museum of Modern Art te New York. Men schatte de waarde op $150 miljoen. Ook het Art Institute of Chicago en het St. Louis Art Museum ontvingen kunstwerken uit haar nalatenschap.

Een exemplaar van het kubistische beeld was in ieder geval van 1948 tot 2000 in bezit van de familie Gaffé. In 1948 beschreef René Gaffé het beeld in een artikel in het dubbelnummer 3-4 van het tijdschrift Artès uit 1947-1948. Na de dood van zijn weduwe werd het beeld samen met andere werken 6 november 2001 geveild bij Christie's te New York. Het beeld bracht op de veiling $ 4.956.000 op, het hoogste bedrag ooit betaald voor een beeld van Picasso. De opbrengst van de veiling, groot $ 73.325.775, ging geheel naar UNICEF. Het beeld werd gekocht door Henry Neville van de Londense antiekhandel Mallet & Son namens een verzamelaar in de V.S. Volgens Valerie J. Fletcher werd dit beeld door de verzamelaar uitgeleend aan het Philadelphia Museum of Art.

Het Moderna Museet in Stockholm bezit sinds 1966 een exemplaar van het kubistische beeld van Fernande uit de erfenis van Rolf de Maré, die vooral bekend werd als directeur van het Ballets Suédois. Rolf de Maré (1888-1964) woonde van 1920 tot zijn dood hoofdzakelijk in Parijs en was o.a. bevriend me Georges Braque.

De National Gallery of Art te Washington D.C. bezit sinds 7 januari 2002 een exemplaar, dat 'geschonken' is door de miljardair en kunstverzamelaar Mitchell P. Rales. Sinds 1999 is Rales al actief voor het museum en mede via zijn The Glenstone Foundation was het museum in staat tot het aankopen van het beeld bij het Modern Art Museum of Fort Worth. Dit museum kocht het op 20 augustus 1968 met o.a. een bijdrage van J. Lee Johnson III via de Acquavella Galleries te New York van Charles Nilsson Jr, die een groot deel van de kunstverzameling van zijn dat jaar overleden vader te koop aanbood. Charles Nilsson Sr. had het beeld volgens zijn zoon na de Tweede Wereldoorlog gekocht van Maurice d'Arquian (1908-1975), de eigenaar van Galerie d'Art Latin te Stockholm.

Het Fitzwilliam Museum te Cambridge (Engeland) bezit volgens hun website een exemplaar, dat in 1974 geschonken is door Dr. Alastair Hunter. Hij had het beeld gekocht in 1951 bij de Zwemmer Gallery, die het in 1944 gekocht had bij de Leicester Galleries. Ook Sir Michael Sadler wordt vermeld en men vraagt zich af waar hij het beeld gekocht heeft. Daar het onbekend is wie de eigenaar van het beeld is geweest in de periode 1933-1944 wordt het beeld apart gehouden.

Het Museum of Fine Arts te Boston kreeg in 1976 een exemplaar van D. Gilbert Lehrman, die het in 1974/1975 gekocht had van William Beadleston. Beadleston, die het werk in 1972 had gekocht, leende de kop uit voor de tentoonstelling Pablo Picasso: Important Paintings and Drawings, die van 24 november 1972 t/m 13 januari 1973 gehouden werd bij M. Knoedler and Co. te New York. Het beeld werd in 1952 door Galerie Louise Leiris verkocht aan de Svensk-Franska Konstgalleriet te Stockholm. Hier kocht Theodore Ahrenberg (1912-1989) uit Stockholm het beeld, die het volgens de website van het museum denkelijk in 1968 weer verkocht. De vraag is of dit juist is, daar Ahrenberg in 1962 door de Zweedse Staat werd aangeklaagd voor belastingfraude. Arenberg, die op dat moment met zijn vrouw en kinderen in Zwitserland verbleef, vestigde zich in Zwitserland en de kunstverzameling met ongeveer 3000 werken werd door de Zweedse Staat in beslag genomen en geveild. Via diverse eigenaren kwam het beeld in 1972 bij Beadleston terecht.

Het Kunsthaus Zürich bezit sinds 1944 een exemplaar, dat gekocht werd bij de galerie H.U. Gasser te Zürich. Via de website van het museum is niet na te gaan of het werk aanwezig is.

Verkoop via Heinz Berggruen

Tussen 1956 en 1960 werden in opdracht van Heinz Berggruen door de bronsgieterij Valsuani negen exemplaren van het kubistische beeld van Fernande uit 1909 gegoten. De bronsgieterij Valsuani was in 1899 door de Italiaan Claude Valsuani gestart in Chatillon en in 1905 verplaatst naar de Rue des Plantes 74 te Parijs. Na zijn dood in 1923 werd de gieterij voortgezet door Claudes zoon Marcel. Vooral Matisse heeft vele beelden bij deze gieterij, die tot 1979 bestond, laten vervaardigen. De gieterij werd voortgezet onder de naam Airaindor.

De werkwijze van de bronsgieterij Valsuani was verschillend van die van Godard. Godard gebruikte een zandmodel voor het gieten en Valsuani was gespecialiseerd in 'lost-wax'-methode.

Van de negen exemplaren kon Valerie J. Fletcher in 2003 slechts één exemplaar niet achterhalen.

1/9
De in Letland geboren Joseph H. Hirshhorn (1899-1981) kwam met zijn moeder, die weduwe was, in 1905 naar de Verenigde Staten en leefde tot 1933 in Brooklyn, New York. Op vijftienjarige leeftijd begon hij als loopjongen in Wall Street en werd spoedig een handelaar. Twee weken voor de beurscrash van 1929 verkocht hij zijn aandelen en behield zo $ 4 miljoen. Aangetrokken door de goldrush in Canada vertrok hij in 1933 naar Canada waar hij 200 concessies in de buurt van Geraldton (Ontario) voor een totaal bedrag van $ 2000 kocht. Nadat er goud was gevonden verkocht hij ze voor $ 500.000. Daarna ondersteunde hij met zijn kapitaal diverse mijnbouwprojecten en startte in 1949 de Technical Mine Consultants, die zich vooral op uranium richtte. Hirshhorn verzamelde kunst en kocht op 11 maart 1961 een exemplaar van het kubistische beeld van Fernande bij de galerie van M. Knoedler in New York. Hirshhorn schonk het exemplaar op 17 mei 1966, samen met een groot deel van zijn kunstverzameling, aan de Verenigde Staten, die het onderbracht bij het Smithsonian Institution te Washington, DC. Met geld van Hirshhorn en anderen bouwde het Smithsonian Institution uiteindelijk Hirshhorn Museum and Sculpture Garden, dat in 1974 werd geopend.
2/9
In 1978 schonk het echtpaar Nathan (1910-1991) en Marion Smooke ( -2001) een exemplaar aan Los Angeles County Museum of Art als herinnering aan Joseph en Sarah Smooke. De aankoop was mede mogelijk door een bijdrage van het echtpaar Jo Swerling, de weduwe van Harold M. English en James Francis McHugh. In 1987 werd in het museum de tentoonstelling Degas to Picasso: Modern Masters From the Smooke Collection gehouden om de bruikleen aan het publiek te tonen. Na de dood van Marion Smooke in maart 2001 werd de bruikleen van de collectie door de erfgenamen teruggevorderd en op 5 november 2001 was de veiling. Op 8 november 2000 werd bij Christie's New York onder lot 62 dit nummer 2/9 aangeboden. Men verwachtte een opbrengst tussen de 4 miljoen en 6 miljoen dollars, maar de prijs bleef steken bij 3,2 miljoen dollars en het kunstwerk werd volgens Carol Vogels in The New York Times teruggetrokken.
3/9
De industrieel Norton Simon (1907-1993) begon begin vijftiger jaren kunst te verzamelen en kocht in 1969 een exemplaar van het kubistische hoofd van Fernande bij de Stephen Hahn Gallery te New York. In 1974 zocht Simon een plaats om zijn omvangrijke collectie onder te brengen en vond die in het financieel noodlijdende Pasadena Museum of Modern Art. De naam van het museum veranderde in oktober 1975, nadat een grote renovatie was uitgevoerd, in Norton Simon Museum of Art, waarvan Simon de leiding kreeg.
4/9
Op 27 juni 2000 werd via Sotheby's London nummer 4/9 aangeboden. De eigenaar, Max Rayne (1918-2003), had in 1969 het beeld bij Berggruen in Parijs gekocht.
5/9
Dit exemplaar kreeg Picasso in 1959 van Berggruen en bevindt zich nu bij een particuliere verzamelaar.
6/9
De overkoepelende organisatie van musea en bibliotheken Stiftung Preussischer Kulturbesitz te Berlin bezit een exemplaar, dat gekocht is van Berggruen.
7/9
De kunstverzamelaars David (1909-1990) en Carmen Kreeger (-2003) begonnen in 1959 met het kopen van kunst en kochten in 1962 een exemplaar van het kubistische hoofd van Fernande van Berggruen. In 1967 betrokken zij een nieuwe woning in Washington DC., die meer de vorm had van een museum, waar hun collectie werd ondergebracht. In het gebouw is vanaf 1 juni 1994 het Kreeger Museum gevestigd. In 1976 werd het beeld door Keeger verkocht. In 2001 kocht de financiële bank Caja de Ahorros y Monte de Piedad te Madrid het beeld op een veiling bij Christie's en schonk het beeld aan het Museo Nacional Centro de Arte Reine Sofia te Madrid.
8/9
Dit exemplaar kreeg Picasso in 1959 van Berggruen, maar was niet meer aanwezig bij de dood van Picasso in 1973. De verblijfplaats is onbekend.
9/9
Dit exemplaar kreeg Picasso in 1959 van Berggruen en bevindt zich nu bij een particuliere verzamelaar.

Afbeeldingen

In de catalogus van de veiling bij Sotheby's New York in 2000 werd een opsomming gegeven van andere bronzen beelden van hetzelfde ontwerp, die in boeken stonden afgebeeld. Zie hiervoor de webpagina Afbeeldingen van het kubistische beeld van Fernande (1909).

Informatiebronnen

Catalogus, 2006

In 1989 verkreeg de Direction des Musées de France en het Musée d'Orsay het archief van Vollard. Van 14 september 2006 t/m 7 januari 2007 werd in The Metropolitan Museum of Art te New York, van 17 februari t/m 12 mei 2007 in het Art Institute of Chicago de tentoonstelling Cézanne to Picasso: Ambroise Vollard, patron of the Avant-Garde en van 19 juni t/m 16 september 2007 in het Musée d'Orsay te Parijs de tentoonstelling De Cézanne à Picasso, chefs-d'oeuvre de la galerie Vollard gehouden.

book, 2003

In 2003 verscheen in Washington het boek Picasso: The Cubist Portraits of Fernande Olivier (ISBN=0-691-11741-1) geschreven door Jeffrey Weiss ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in de National Gallery of Art te Washington van 1 oktober 2003 t/m 18 januari 2004 en het Nasher Sculpture Center te Dallas van 15 februari t/m 9 mei 2004 met daarin het door Valerie J. Fletcher geschreven hoofdstuk Process and Technique in Picasso's Head of a Woman (Fernande) .

Laatste wijziging: 050210