Erfenis Picasso

Na de dood van Pablo Picasso op 8 april 1973 te Mougins, een dorp vlak bij Cannes, kwamen de problemen voor een verdeling van de erfenis te voorschijn. Picasso was op het moment van sterven officieel getrouwd en had uit een eerder huwelijk een zoon en uit twee relaties nog drie nakomelingen. Picasso werd op 16 april 1973 begraven in de tuin van het in 1958 door Picasso gekochte Château de Vauvenargues. Van de familie waren alleen aanwezig Paulo, Jacqueline en haar dochter Catherine.

De ergenamen (overzicht)

Picasso, Olga en zoon Paulo

Paulo

De eerste officiële echtgenote van Picasso, waarmee hij op 12 juni 1918 te Parijs trouwde, was de Russische Olga Khokhlova. Zij kregen op 4 februari 1921 een zoon, die zij Paulo noemden. De relatie met Marie-Thérèse Walter vanaf 1927 leidde tot een verwijdering tussen Picasso en Olga. Een echtscheiding werd door Picasso niet gewenst wegens de financiële gevolgen. Eind 1936 werd de juridische strijd beslecht met de verdeling van de goederen en dat Olga Picasso's officiële echtgenote bleef. Olga kreeg o.a. het huis in Boisgeloup met de aanwezige inhoud, bestaande uit schilderijen, tekeningen en sculpturen. Olga ontving ook een geldbedrag en een jaarlijkse toelage voor Paulo. Aan het huwelijk kwam op 11 februari 1954 een officieel einde door het overlijden van Olga in Cannes.

Emilienne Lotte, Pablito en Marina, 1956 Christine Pauplin en Bernard

Paulo trouwde op 10 mei 1950 met Émilienne Lotte en zij kregen twee kinderen, Pablito (geboren op 5 mei 1949 en overleden op 11 juli 1973) en Marina (geboren op 14 november 1950). Émilienne was bij de geboorte van Pablito nog officieel getrouwd met René Mosse en Pablito was volgens de wet Renés kind. In juni 1949 scheidden René Mosse en Émilienne Lotte. Al in het voorjaar van 1951 gingen Paulo en Émilienne uit elkaar. Op 2 juni 1953 scheidde Paulo officieel van Émilienne Lotte en hij trouwde daarna in maart 1962 met Christine Pauplin. Zij kregen op 3 september 1959 een zoon, die zij Bernard noemden. Door de scheiding en het aantekenen van bezwaar tegen de scheiding door Émilienne waren Pablito en Marina van 1955 tot 1958 niet welkom bij Picasso. Paulo overleed plotseling op 5 juni 1975, al was eerder leverkanker vastgesteld. Paulo was met zijn vrouw met zijn auto naar Spanje gereden en in Barcelona ernstig ziek geworden. Met een ambulance werd hij naar Montpellier gebracht en met een vliegtuig naar Parijs vervoerd. Hier overleed hij in het ziekenhuis.

Pablito

Pablito, Marina en Émilienne, 1975

Na de dood van Picasso liet Jacqueline, behalve de enige mede-erfgenaam Paulo, niemand van de andere kinderen en kleinkinderen toe om afscheid te nemen. Pablito, die dit medegedeeld kreeg door zijn vader, liep eerst in Golfe-Juan rond met een bord met daarop een tekst dat hij niet werd toegelaten bij zijn opa en dronk na drie dagen een fles bleekwater leeg. Hij vernietigde daardoor zijn inwendige organen en had drie maanden een afschuwelijk sterfbed. Op 11 juli 1973 overleed Pablito, die in drie maanden dertig kilo was afgevallen, in het ziekenhuis De La Fontonne te Antibes. Zijn moeder Émilienne vertelde in een interview aan de journaliste Yvonne Gugielmo, dat hij denkelijk gered had kunnen worden als zij direct na zijn daad de financiën had gehad om hem over te brengen naar het ziekenhuis Rothschild te Parijs. Marie-Thérèse was een grote steun voor Marina en émilienne.

Marina

Marina met zoon Gaël en dochter Flore, 1985

Dankzij Marie-Thérèse Walter, de moeder van Maya, die tijdens de ziekenhuis opname van Pablito Marina en émilienne tot steun was, werd Marina in augustus 1976 in contact gebracht met de Zwitserse kunsthandelaar Jan Krugier. Hij zou Marina adviseren bij haar keuze uit de kunstwerken in de erfenis. Marina leefde in Marina Baie des Anges in Zuid-Frankrijk samen met de getrouwde vijentwintigjaar oudere psycholoog Dr. René Abguillerm, die al twee dochters had, en zij kregen samen in 1976 een zoon, Gaël, en in 1979 een dochter, Flore. Kort na de geboorte van Flore gingen Marina en René uit elkaar. Vanaf 1980 woonde Marina in het gerenoveerde La Californie te Cannes en in Zwitserland. Volgens haar neef Olivier Widmaier ging zij daarna niet meer met de rest van de familie om. In 1995 verscheen van Marina haar eerste boek, getiteld Les Enfants du bout du monde en in 2001 in samenwerking met Louis Vallentin het boek Picasso Grand-Père. Het laatste boek gaat vooral over de ontoegankelijkheid van Picasso voor zijn zoon Paulo en zijn kleinkinderen door toedoen van Jacqueline Picasso-Roque en de lijdensweg van Pablito, die drie maanden op sterven lag na het drinken van bleekwater toen hij niet werd toegelaten bij de begrafenis van zijn grootvader. Pablito werd begraven vlakbij zijn oma Olga op de protestante begraafplaats te Cannes.

Met haar erfenis ondersteunde Marina Vietnamese weeskinderen. In 1990 werd in Thu Doc, een voorstad van Ho Chi Minh City, het weeshuis The Village of Youth met geld van Marina gevestigd. Marina heeft ook de drie Vietnamese kinderen Dimitri, Florian en May geadopteerd.

Bernard

Sakip Sabanci Museum, 2005

Bernard, de jongste erfgenaam, trouwde later met de Italiaanse Almine Rech, die eigenaresse was (is?) van Galerie Almine Rech in de Rue du Chavaleret 127 te Parijs. Op nevenstaande foto staan zij samen aan de linkerkant. De foto is gemaakt ter gelegenheid van de eerste tentoonstelling in Turkije, die gehouden werd van 24 november 2005 t/m 26 maart 2006 onder de naam Picasso in Instanbul in het Sakip Sabanci Museum. De andere twee personen zijn Güler Sabanci, president van de Sabanci Holdings, en Dr. Nazan Ölcer, de museumdirectrice. Te zien waren o.a. 135 schilderijen, die Bernard had gekozen uit zijn eigen verzameling en diverse musea.

Maya

Maya Widmaier-Picasso, 1985

Marie-Thérèse Walter kreeg op 5 september 1935 dochter Maria de la Concepción, roepnaam Maya. Maya trouwde in 1960 met de marine ingenieur Pierre Widmaier. Hun oudste zoon Olivier, geboren in 1961, schreef het boek Picasso: Portraits de famille, verschenen in 2002 (Engelse titel: Picasso The real family story, 2004), dat o.a. de veranderingen in de Franse wetgeving op het gebied van de auteursrechten en erfenissen beschreef. Ook de zevenjarige strijd om Picasso's erfenis van $ 840 miljoen werd in het boek beschreven. Maya's zoon Richard werd in 1964 geboren en dochter Diana in 1971. In september 1996 produceerde Olivier, met hulp van zijn oom Claude, een CD-rom met ongeveer 2000 interactieve bladzijden over de werken van Picasso en biografische verwijzingen.

Diana Widmaier-Picasso

Dochter Diana werd kunsthistorica en schreef o.a. Picasso, l'Art ne peut être qu'érotique (2006) en is bezig met Catalogue Raisonné des Sculptures de Pablo Picasso. In de nacht van 26 en 27 februari 2007 werd bij Diana in Parijs ingebroken en enkele werken van Picasso, waaronder Portret van Jacqueline uit 1961 en Maya met pop uit 1938 (samen 50 miljoen euro waard), gestolen uit haar appartement.

Claude en Paloma

Françoise Gilot, 1965

Vanaf Pasen 1946 ging Picasso samenwonen met Françoise Gilot in de Rue des Grands-Augustins te Parijs. Zij kreeg twee kinderen, zoon Claude Pierre Paul geboren op 15 mei 1947 en dochter Ann Paloma op 19 april 1949. Françoise verliet Picasso samen met haar kinderen op 30 september 1953, maar zij kon nooit los komen van Picasso.

Luc Simon en Aurélia

Françoise trouwde met de schilder Luc Simon en in oktober 1956 werd dochter Aurélia geboren. In de jaren daarna probeerde Françoise met behulp van advocaten voor haar kinderen een aantal rechten, o.a. de naam Picasso, te verkrijgen. In 1960 kwam Picasso met een voorstel. Als Françoise zou scheidde van Luc Simon dan kon hij met haar trouwen en de kinderen wettigen. Op 10 januari 1961 kregen Claude en Paloma via de Minister van Justitie officieel de naam Ruiz Picasso. Françoise zorgde in verband met de successierechten voor een conseil de famille, een soort stichting, waarvan ook Picasso een beheerder was.

Het laatste contact tussen Picasso en deze kinderen was met kerstmis 1963. Het door Françoise met behulp van Carlton Lake geschreven boek Life with Picasso, dat tevergeefs door Picasso via rechtszaken werd tegengehouden, was niet de oorzaak. Picasso was zeer verontwaardigd dat Françoise na het bereiken van de naam Picasso voor haar kinderen, zij verder ging om de kinderen ook als erfgenaam te laten erkennen. Het boek verscheen in november 1964 in de Verenigde Staten. In het eerste jaar werden meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Het boek verscheen in 1965 in Frankrijk onder de titel Vivre avec Picasso en in Nederland bij Bruna onder de naam Leven met Picasso. Vanaf de lente van 1964 waren Claude en Paloma niet meer welkom bij Picasso en Jacqueline Roque. Picasso droeg de advocaat Mr. Roland Dumas, die later o.a. Minister van Buitenlandse Zaken in Frankrijk was, op al het mogelijke te doen om de erfrechten aan te vechten. Claudes aanspraak werd op 4 april 1970 en die van Paloma op 30 november 1971 door het gerechtshof in Grasse afgewezen. Ook de hogere beroepen in 1972 werden verloren, ondanks dat de wet in januari 1972 was veranderd. Het tijdstip van indienen was belangrijker, dan de op dat moment geldige wet. Françoise en haar kinderen werden bijgestaan door de advocaat Gaston Bouthoul. Terwijl Françoise en Luc bezig waren met de scheiding, trouwde Picasso op 2 maart 1961 in het geheim met Jacqueline Roque.

Paloma met 1ste echtgenote Sara Lee Schulz, 1970 Claude met 2de echtgenote Sydney Russell, 1980

Claude trouwde op 4 januari 1969 na een jaar samenwonen met de in 1946 geboren Sara Lee Schulz, maar scheidde van haar in 1971. Tijdens de afhandeling van de erfenis, richtte Claude de Société Picasso in 1976 op. In de Rue de Lille beheerde hij de dossiers en de foto's die Maurice Rheims in verband met de erfenis had vastgelegd. In 1979 trouwde Claude met de in 1951 geboren Amerikaanse Sydney Russel. Zij kregen in 1981 zoon Jasmin.

Paloma met echtgenoot Rafael Lopez Sanchez, 1978

In 1974 speelde Paloma mee in een film van Walerian Borowczyks met de titel Immoral Tales. In het derde deel van de uit vier delen bestaande film speelde Paloma de hoofdfiguur Erzsébet Báthory, die het liefst in het bloed van maagden baadde. Paloma liet in deze film niets van haar lichaam onzichtbaar. Paloma ontwikkelde zich tot ontwerpster. Zij ontwierp o.a. zonnenbrillen, parfums, tassen, behang en juwelen. Meer dan 25 jaar ontwierp zij juwelen voor de bekende firma Tiffany & Co. Paloma trouwde op 15 mei 1978 in Parijs met de in 1947 geboren toneelschrijver Rafael Lopez Sanchez. Zij woonden hoofdzakelijk in New York. Paloma ontwierp voor zijn toneelstukken decors en kledingstukken. Vanaf 1984 had zij haar eigen parfummerk. In 1999 scheidden Paloma en Rafael, waardoor Rafael een zeer vermogend man werd en trouwde Paloma met de vrouwenarts Eric Thévenet. In januari 2001 verhuisde Paloma met haar tweede echtgenoot van het Londense Chelsea naar Zwitserland. In Lausanne richtte zij de Paloma Picasso Foundation op, die tot doel had het werk van zowel haar vader als haar moeder te promoten

Jacqueline Picasso-Roque

Vanaf oktober 1953 had Picasso een relatie met Jacqueline Roque, die getrouwd was geweest met Hutin en een dochter, Catherine, had. Op 2 maart 1961 trouwde Picasso in het geheim met Jacqueline. Met haar woonde Picasso bij zijn dood in de woning Mas Notre-Dame-de-Vie in Mougins.

L'affaire Picasso

De erfenisverdeling van Picasso was ingewikkeld, doordat bij de scheiding van Picasso met Olga op 29 juni 1935 geen verdeling noch waarde bepaling had plaatsgevonden. L'affaire Picasso was in werkelijkheid de regeling van twee erfenissen, n.l. van Picasso en Paulo.

Jacqueline werd bij de afhandeling van de erfenis bijgestaan door de advocaat Mr. Roland Dumas. Picasso had uitsluitend duidelijk gemaakt, dat ongeveer 40 werken van andere kunstenaars zouden worden geschonken aan het Louvre. Dumas was van mening, dat de enige erfgenamen Jacqueline en Paulo waren. Dit mede door een op 3 januari 1972 aangenomen Franse wet, die in augustus zou in gaan en aan onwettige kinderen (enfants adulterins) dezelfde rechten gaf als wettige kinderen, mits zij binnen twee jaar na hun 21ste verjaardag een claim hadden laten registreren. Van de drie kinderen hadden Maya en Claude dat niet kunnen doen, daar zij al ouder dan drieëntwintig waren op het moment van het aannemen van de wet. Alleen Paloma moest nog drieëntwintig worden. Onder de Napoleonse wet hadden kinderen bij een erfenis voorrang op een latere echtgenote. Pas met een nieuwe wet van 21 december 2001 werden in Frankrijk alle kinderen gelijk geschakeld.

Françoises kinderen Claude en Paloma werden in hun strijd om de erfenis bijgestaan door de advocaat Gaston Bouthoul. Hij was van mening dat de strijd om de erfrechten, ook al waren ze afgewezen, duidelijk aan de termijn eis van de nieuwe wet voldeed. Bouthoul had na het van kracht worden van de nieuwe wet direct een verzoek tot vrijstelling laten registreren. Picasso's dood moest volgens hem niet tot het uitstellen van het hoger beroep leiden. Uit voorzorg had Françoise tijdens de behandeling van de nieuwe wet haar kinderen bij het bereiken van hun 21ste verjaardag al een verzoek tot uitsluiting van de leeftijdsgrens laten tekenen. Via een advocaat werd voor Claude en Paloma een proces aangespannen om de schenking aan het Louvre aan te vechten. Bovendien werd bij het gerecht een verzoek gedaan om de erfenis te zien. Maya spande op 13 december 1972 in Grasse een rechtzaak aan om onder de nieuwe wet, werkzaam vanaf 1 augustus 1972, wettelijke kind van Picasso te worden. Daar Maya ouder was dan 23 jaar voldeed zij niet aan de eis van de nieuwe wet en haar wettige erkening werd afgewezen op 29 juni 1973. Picasso, die herhaaldelijk schriftelijk zijn vaderschap had medededeeld, kon de kinderen niet wettelijk erkennen. Dit werd pas op 3 januari 1993 wettelijk in Frankrijk geregeld.

Ondanks dat Claude en Paloma nog geen officiële status hadden, werd bij een tussenvonnis op 6 juni 1973 hun rechten al erkend en een officiële bewindvoerder van de erfenis verordend. De notaris Pierre Zecri werd op 12 juli 1974 aangesteld. Voor het vaststellen van de waarde van de erfenis werd de Parijse kunstexpert Maurice Rheims aangesteld. Zij moesten samen er op toe zien, dat de staat 20% van het kunstbezit kreeg. Van andere bezittingen moest 9% successierechten betaald worden. In meer dan drie jaar werden ongeveer 75.000 items vastgelegd. In het voorjaar van 1974 was onder leiding van advocaat Darmon de eerste bijeenkomst van alle, ook niet wettelijke, erfgenamen, n.l. Jacqueline, Paulo, Maya, Claude en Paloma. Afgesproken werd om te wachten met de verdeling op Maya, die op aanraden van Picasso's advocaat Roland Dumas contact had opgenomen met de advocaat Paul Lombard en in oktober 1973 tegen de afwijzing van 29 juni 1973 in beroep was gegaan. Maya kreeg op deze bijeenkomst alvast van Paulo een cheque van 100.000 Francs. Na het proces op 8 april 1974 werd op 6 juni 1974 in Aix-en Provence uitgesproken dat Maya officieel de naam Ruiz Picasso had. Vanaf september 1974 waren er maandelijkse bijeenkomsten van de erfgenamen en hun adviseurs in Parijs en enkele in Zuid-Frankrijk. In totaal ongeveer 60 stuks in de periode 1974-1979.

In 1968 had de Minister van Cultuur, André Malraux, een wet ingevoerd, de z.g. dation, om de successierechten (doits de mort) te voldoen. In deze wet van 31 december 1968, die bedoeld was om o.a. waardevolle Franse kunst te behouden voor Frankrijk, was wel opgenomen, dat de Staat de selectiekeuze had en bovendien de waarde bepaalde. Maurice Rheims was de persoon, die het werk voor de Franse Staat zou doen.

Erfenis naar de kleinkinderen Marina en Bernard

De afhandeling van de erfenis werd vertraagd door het overlijden van Paulo op 6 juni 1975. De kinderen van Paulo, Marina en Bernard, en zijn echtgenote Chritine kwamen in de plaats van hun vader of echtgenote. Op 16 juni was de eerst volgende bijeenkomst van de erfgenamen en hun adviseurs in de nieuwe samenstelling, alleen Jacqueline was niet aanwezig. Daar Bernard nog geen 21 was, werden de onderhandelingen voor hem door zijn moeder Christine gedaan. In maart 1976 kwamen de erfgenamen, behalve een zieke Jacqueline, drie dagen bijeen in St-Paul-de-Vence om van Claude te horen wat de erfenis inhield en om tot overeenstemming te komen. Dat lukte, maar de handtekening van Jacqueline ontbrak op de overeenkomst tussen de erfgenamen. Op 10 juni kwamen de erfgenamen bijeen in het bureau van Pierre Zecri te Parijs om een principe afspraak te maken. Daar Jacqueline weer ontbrak wegens ziekte konden geen beslissingen worden genomen. Op 21 juli 1976 benoemde de Minister van Cultuur, Michel Guy, een directie voor een nieuw museum, waarin de door de staat verkregen Picasso's zouden worden ondergebracht. De directieleden Dominique Bozo en Jean Leymarie kozen de kunstwerken voor een representatieve collectie en de lijst werd aan de erfgenamen en de experts Roland Penrose, Maurice Besset en Pierre Daiz voorgelegd. Bozo kwam spoedig met de erfgenamen, met uitzondering van Jacqueline, tot overeenstemming. In december 1976 was de familie zover dat om een hoorzitting bij het gerecht werd verzocht, maar door Jacquelines aankondiging dat zij zou tekenen ging dit niet door. Pas in september 1977 tekende Jacqueline de papieren en was l'affaire Picasso beëindigd. De vele advocaten hadden een dikke boterham verdiend, daar zij 0,2% van de waarde kregen, met uitzondering van de advocaat van Marina, die haar advocaat 3% betaalde. Zij kregen samen meer dan Maya, Claude en Paloma ieder apart! Ook de Franse Staat kreeg veel, bv. van Marina's deel kreeg zij de helft.

De vreugde over de goede afloop werd op 20 oktober 1977 te niet gedaan door de zelfmoord van Maya's moeder, Marie-Thérèse Walter. Zij hing zich op in haar garage van villa La Lusitane te Juan-les-Pins. Zonder Picasso kon zij niet leven.

In september 1985 werd het Musée Picasso in het Hôtel Salé in aanwezigheid van alle erfgenamen door de Franse president François Mitterand geopend. Jacqueline schoot zich op 15 oktober 1986 dood in haar huis te Mougins. De helft van haar bezit, 49 schilderijen, 38 tekeningen, 24 tekenboeken, 2 beelden, 19 stuks keramiek, 7 litho's en 240 afdrukken, erfde haar dochter Catherine Hutin. Zij moest in verband met de successierechten een deel afstaan aan o.a. het Musée Picasso te Parijs. De andere helft werd verdeeld onder de andere erfgenamen, daar Jacquelineslechts het vruchtgebruik had gehad.

Roland Dumas kwam later nog vele malen in het nieuws. Was zijn inschatting bij de erfenis van Picasso niet juist geweest het werd overtroffen met de erfenis van de kunstenaar Alberto Giacometti. In februari 2006 werd Roland Dumas veroordeeld tot 12 maanden gevangenis met uitstel in verband met een verkeerde afhandeling van de erfenis van de kunstenaar Alberto Giacometti als exécuteur testamentaire.

Juan Carlos, Sofia en Christine Ruiz Picasso, 2003

Op 27 oktober 2003 werd in Malaga het Museu Picasso door de koning Juan Carlos en konigin Sofia van Spanje geopend. Bernard schonk 22 werken aan het museum en zijn moeder, de weduwe van Paulo Ruiz Picasso, schonk 133 werken, waarvan 14 olieverf schilderijen. Het museum is gevestigd in het Palacio de los Condes de Buenavista in het oude historisch centrum van de stad. De belangen van Bernard zijn onder gebracht in FABA (=Fundación Almine y Bernard Ruiz-Picasso para el Arte).

Waarde

Maurice Rheims maakte een inventaris van de erfenis, waarbij hij elk kunstwerk fotografeerde. Hij legde bijna 50.000 werken vast, waaronder 1885 schilderijen, 7089 tekeningen, 1228 beelden, 2800 keramiek, 149 schetsboeken waarin 4659 tekeningen en schetsen, 11 wandtapijten, 8 vloerkleden, 18095 etsen, 6112 litho's en 3181 afdrukken. Hij schatte de waarde op 1.372.903.256 Francs, ongeveer 600 miljoen euro.

In een artikel in de Franse krant Le Point van 11 juli 1977 schatte de schrijfster Hélène Demoriane de erfenis op 800 miljoen francs voor de schilderijen, tapijten en geïllustreerde boeken e.d., 150 miljoen voor de tekeningen, 40 miljoen voor de schetsboeken en 260 miljoen voor etsen, litho's, linosneden, beelden en keramiek. In totaal 1,25 miljard francs, ongeveer 200 miljoen euro's. De staat verkreeg in verband met de successierechten 228 schilderijen, 149 beelden, 1495 tekeningen, 1622 gravures, 85 stuks keramiek, documenten e.d.

Na aftrek van de successierechten kreeg Jacqueline een kwart van de erfenis en een kwart vruchtgebruik, dat na haar dood naar de andere erfgenamen zou gaan. Marina en Bernard kregen ieder een achtste van de erfenis. Maya, Claude en Paloma kregen ieder een twaalfde deel, dat ongeveer 20 miljoen euro's aan waarde had. Voor de reproductierechten werd door de erfgenamen de Société Civile Picasso opgericht. In april 1980 werd een rechtzaak tussen Marina en de andere erfgenamen gevoerd over de reproductierechten. Marina wilde haar rechten voor $ 22,5 miljoen verkopen. Marina verloor de rechtzaak en de reproductierechten bleven dankzij de advocaat Martin Bressler bij één rechtspersoon. Iedere erfgenaam krijgt van de opbrengst een gelijk deel. Jaarlijks kunnen de erfgenamen minstens een miljoen dollar verdelen.

Verdeling

De erfgenamen kregen de gelegenheid om een tiende deel van hun rechtmatig erfdeel zelf uit te zoeken. Hiermee kreeg ieder de gelegenheid om werken, die een persoonlijke gevoelswaarde had, uit te zoeken. Marina maakte goed gebruik van de kennis van haar adviseur Jan Krugier. Om de rest van de vele werken te verdelen had Maurice Rheims de werken in ongeveer gelijkwaardige stapels verdeeld, waarvoor de erfgenamen lootjes in overeenstemming met hun rechtmatig erfdeel trokken. Op deze manier werden eindeloze discussies voorkomen.

Onroerend goed

Jacqueline verkreeg uit de erfenis het vruchtgebruik van het Château de Vauvenargues en de Mas Notre-Dame-de-Vie in Mougins. Daarnaast verkreeg zij een studio in Parijs. Marina verkreeg La Californie te Cannes, die zij liet restaureren. Zij moest daarvoor werken verkopen, die in november 1981 bij Sotheby's in New York onder de hamer kwamen. Bernard verkreeg Boigeloup bij testament van zijn vader Paulo, die het had geëfd van zijn moeder Olga.

Laatste wijziging: 151211