Braque bracht samen met Othon Friesz van 12 juni t/m 12 juli en van 14 augustus t/m 11 september door in een kamer op de eerste verdieping van een niet meer in gebruik zijnd casino met uitzicht op de haven van Antwerpen. Friesz had ook het voorafgaande jaar al in Antwerpen geschilderd.
Nadat Braque op de Salon d'Automne van 1906 de schilderijen van Cézanne had gezien reisde Braque onder de indruk van deze schilderijen naar L'Estaque, een plaats vlakbij Marseille, af. Braque vertelde dit tegen Jacques Lassaignes tijdens een interview in 1961.
winter 1906-1907 | Vanaf oktober 1906 bracht Braque vijf maanden voor 70 francs per maand door in een goedkoop hotel te L'Estaque. In februari 1907 keerde Braque terug naar Parijs. |
najaar 1907 | ![]() ![]()
Op 28 september 1907 ging Braque vanuit La Ciotat naar L'Estaque. Hier schilderde hij voor het eerst o.a de nevenstaande minder fauvistische werken: Viadukt bij L'Estaque en Terras van Hôtel Mistral. Denkelijk ging Braque op 16 november terug naar Parijs. |
zomer 1908 | ![]() ![]() Na een kort verblijf in Le Havre in verband met de voorbereiding van de derde tentoonstelling van de Cercle de l'Art Moderne ging Braque opnieuw naar L'Estaque, waar hij van begin juni tot begin september zou blijven in Hôtel Maurin. Braque kreeg in L'Estaque bezoek van Raoul Dufy en ging zelf op bezoek bij de in Martigue verblijvende André Derain. In L'Estaque schilderde Braque diverse pre-kubistische werken, waaronder het nevenstaande Viadukt bij L'Estaque en Huizen bij L'Estaque. Het laatste werk werd door Hermann Rupf geschonken aan het Kunstmuseum Basel. |
september-november 1910 | Begin september ging Braque opnieuw naar Hôtel Maurin in L'Estaque. Op 3 november bracht Braque een bezoek aan Marseille. Eind november vertrok Braque naar Le Havre en vervolgens naar Parijs. |
Vanaf eind mei of begin juni bracht Braque samen met Othon Friesz de zomer door in La Ciotat, een dorp tussen Marseille en Toulon. Braque, die denkelijk eind april al kennis had gemaakt met Pablo Picasso, stuurde een kaart uit La Ciotat aan Picasso. In juli kregen zij bezoek van Henri Matisse en zijn vrouw, die samen op weg waren van Collioure naar Italië. Op 28 september 1907 vertrok Braque naar L'Estaque.
Na een kort verblijf in Le Havre in verband met de vierde tentoonstelling van Cercle de l'Art Moderne ging Braque in juni naar La Roche-Guyon, waar Cézanne in 1885 had geschilderd. Braque schilderde vijf verschillende schilderijen van de burcht in deze plaats. Het nevenstaande schilderij uit deze serie werd in 1953 aangekocht door het van Abbemuseum in Eindhoven. Op 27 augustus was Braque terug in Parijs om met Kahnweiler een tentoonstelling, die in september zou plaatsvinden, te bespreken. Braque reisde daarna door naar Le Havre voor een militaire herhalingsoefening van een maand.
Braque ging nadat hij van 7 september t/m 6 oktober 1909 op herhaling in militaire dienst was geweest begin oktober naar Carrières Saint-Denis, waar Derain verbleef. Eind oktober keerde Braque met vier landschappen terug naar Parijs.
Nadat Braque op herhaling was geweest voor militaire dienst van 27 maart t/m 12 april 1911 in Saint-Mars-la-Brière ging Braque in augustus naar de Zuidfranse plaats Céret, waar Picasso al vanaf begin juli de zomer doorbracht. Op 17 augustus kwam Braque in Céret aan. Zij verbleven in het nevenstaande Maison Delcros. Vanuit Céret bezocht Braque de plaatsen Figueras en Collioure, waar hij een ontmoeting met Matisse had. Half oktober 1911 schreef Marcelle Lapré dat zij spoedig naar Céret zou komen en dat zij tot januari samen konden blijven. Bij de brief stuurde zij een artikel van André Salmon over Braque, dat verschenen was in Paris-Jounal op 13 oktober 1911. Op 31 oktober stuurde Braque vijf schilderijen naar zijn kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler, alle met de naam 'stilleven'. Later werden de namen: Pedestal Tafel, Stilleven met Banderillas, Fles en Klarinet, Kaarsenstandaard en Absinth glas. Op 19 januari 1912 keerden Braque en Marcelle terug naar Parijs en gingen zij wonen in de Impasse de Guelma 5.
| zomer 1912 | ![]()
De zomer van 1912 brachten Braque en Marcelle vanaf begin augustus door in Sorgues-sur-l'Ouveze, een plaats vlak bij Avignon. Hier waren Picasso en Eva Gouel vanuit Céret eind juni naar toe gevlucht om Picasso's ex-geliefde Fernande Olivier, die op weg was naar Céret, te ontlopen. Vanaf 25 juni huurde Picasso Villa des Clochettes. Rond 15 augustus huurde Braque het landhuisje Villa Bel-Air aan de Route d'Entraigues te Sorgues. Pierre Reverdy en zijn vrouw Henriette brachten een bezoek aan Braque en Marcelle in Sorgues. Begin september maakte Braque zijn eerst papier collé. In een brief aan Kahnweiler van 16 september 1912 schreef Braque dat hij voor het eerst zand had gebruikt in een schilderij. Denkelijk keerde Braque op 15 november 1912 terug in Parijs. |
| zomer 1913 | Braque ging op 15 juni naar Sorgues, waarvan hij op 8 december terugkeerde naar Parijs. Hij huurde aanvankelijk Villa Bel-air, maar huurde een ander huis, waarvan eerst een raam vergroot moest worden opdat de kamer als atelier kon dienen. Eind juni was de verbouwing klaar. Eind september stuurde Braque zeven werken naar Kahnweiler, waarvan de eerste Mandolinespeler heette en de rest Stilleven. De titels waren later: Vrouw met gitaar, Gitaar, Krant Echo d'Athenes', Le Petit Provencal, Glas en citroen, Pijp en Tabaksbuidel en Gitaar. |
| zomer 1914 | Op 28 juni 1914 ging Braque op de fiets van Parijs naar Sorgues, waar hij op 5 juli aankwam. Marcelle kwam denkelijk op 7 juli naar Sorgues. Georges en Marcelle huurden de Villa Bel-Air te Sorgues, dat Braque renoveerde. Hij was daar net mee klaar toen hij in verband met de Eerste Wereldoorlog in augustus werd gemobiliseerd. Op 2 augustus vertrok Braque naar Lyon. |
| januari - juli 1916 | De eerste helft van 1916 bracht Braque door in Sorgues om te herstellen van zijn verwonding, die hij in mei 1915 had opgelopen aan het front bij Neuville-Saint-Vaast. Vanaf juli was hij weer terug in militaire dienst te Bernay. |
In 1927 verkochten Braque en zijn vrouw het huis in Sorgues.
Op uitnodiging van de Amerikaanse architect Paul Nelson, die tijdens de bouw van Braques atelierwoning in Parijs bij Perret werkte, en zijn Franse vrouw Francine Lecoeur brachten Braque en Marcelle de zomer van 1928 door in Varengeville (Normandië). In 1929 bracht Braque een deel van de zomer in Dieppe door en daarna in Varengeville. In 1930 kocht Braque een stuk grond in Varengeville en Nelson kreeg de opdracht een huis te ontwerpen. Na aanpassingen aan de wensen van Braque was het in 1931 klaar. Gebruikelijk was om van augustus t/m januari door te brengen in Varengeville en van februari t/m juli in Parijs.