Georges Braque (1882-1963).

Braque werd op 13 mei 1882 geboren in de Rue de l'Hôtel-Dieu 40 te Argenteuil-sur-Seine, een plaats dicht bij Parijs. Zijn vader, Charles Braque (1855-1911), was schilder van beroep net als zijn vader en deed in zijn vrije tijd ook nog aan de schilderkunst. In 1890 verhuisde het gezin, behalve Georges bestaande uit zijn vader, zijn moeder Augustine Johanet (1859-1942) en zijn zus Henriette (1878-1950), naar de Rue Jules-Lausne 33 in Le Havre om een betere toekomst te krijgen. Door de groei van de havenstad was er genoeg werk en na drie jaar had Charles Braque een eigen zaak in huisdecoratie genaamd Braque & Co. In Le Havre bezocht Braque in de avonduren de Ecole Municipale des Beaux-Arts en ontmoette hij de schilders Eugène Boudin (1824-1898), Camille Corot (1796-1875), Othon Friesz en Raoul Dufy (1877-1953). Heel zijn omgeving hielp hem om schilder te worden. In de vakantie bezocht hij in Parijs het Louvre en het Musée du Luxembourg, waar de werken van nog levende kunstenaars hingen. Na zijn middelbare school volgde Braque een opleiding tot huisschilder en decorateur.

Haven

In 1900 ging Braque naar Parijs en haalde daar zijn certificaat als schilder-decorateur, waardoor zijn diensttijd volgens de geldende regels werd gereduceerd tot één jaar. Vanaf 30 oktober 1902 was hij voor een jaar bij het 129ste Infantrie Regiment ingedeeld en zou daarna geregeld op herhaling moesten komen. Na zijn militaire diensttijd volgde Braque de Académie Humbert, waar hij Marie Laurencin en Francis Picabia ontmoette, en een korte tijd de Ecole des Beaux Arts, waar ook zijn vrienden uit l'Havre, Othon Friesz en Raoul Dufy, studeerden. In 1904 was zijn studie afgelopen en vestigde hij zich voorgoed in de Rue Lamark te Montmartre, op dat moment de schildersbuurt van Parijs. De zomer van 1904 bracht hij met medeleerlingen van de Académie Humbert, Jacques Vaillant, Ponscarme en Paulette Philippi door in Kergroës, een dorp bij Pont-Aven.

Na de opening van de eerste expositie van de Cercle de l'Art Moderne in mei 1906 te hebben bijgewoond in Le Havre, ging Braque met Othon Friesz naar Antwerpen, waar hij door zijn vriend Friesz op fauvistische wijze begon te schilderen. Na een kort verblijf in Parijs in september, ging Braque in oktober 1906 voor de winter naar l'Estaque, een plaats vlakbij Marseille, waar hij vijf maanden bleef.

Opmerking

Van 26 juni t/m 30 oktober 2005 werd in het Musée de Lodève (Zuid-Frankrijk, tussen Millau en Montpellier) de tentoonstelling Braque Friesz gehouden met de nadruk op de periode 1906-1908. Daarnaast waren er ook latere werken onder de ongeveer zestig tentoongestelde kunstwerken.

Landschap van La Ciotat, afmetingen: 61 x 74 cm Haven van l'Estaque

Braque sloot zich aan bij het fauvisme van Henri Matisse (1869-1956), die hij in maart 1906 voor het eerst zou ontmoeten, en André Derain (1880-1954). In bovenstaand schilderij Haven uit 1906, en nevenstaande schilderijen 'Landschap van La Ciotat' (links) en 'Haven van l'Estaque' (rechts) uit 1907 is het fauvisme duidelijk te zien. Braque bleef in deze trant schilderen totdat hij onder invloed Cézannes werken hiermee brak. Op de Salon des Indépendants van 1906 exposeerde Braque 6 landschappen, die hij allemaal verkocht. Vijf werken verkocht hij voor 505 francs aan Wilhelm Uhde, het zesde aan Daniel-Henry Kahnweiler. In april of mei 1907 maakte Braque kennis met Pablo Picasso. Na een bezoek aan de tweede expositie van de Cercle de l'Art Moderne, waar werken van hem hingen, in Le Havre in juni 1907 bracht hij de zomer van 1907 samen met Friesz door in La Ciotat, een plaats tussen Marseille en Toulon. De werken, die Braque uitkoos voor de Salon d'Automne van 1907, werden door de jury op één na geweigerd. In oktober 1907 ging Braque opnieuw naar L'Estaque, waar hij een andere stijl van schilderen ontwikkelde. Het zou de start van de nieuwe kunstrichting kubisme betekenen.

Zie voor de kubistische periode de webpagina's: , , .

Picasso hielp Braque aan de vrouw, door hem kennis te laten maken met het model Marcelle Lapré. In 1914 was de familie Braque in Sorgues. Braque renoveerde een oud huis, Villa Bel-Air. Op 25 juli was hij daarmee klaar, maar van uitrusten kwam niets door de mobilisatie in verband met de Eerste Wereldoorlog. Op 2 augustus namen Georges en André Derain, die met zijn vrouw in Montfavet verbleef, de trein in Avignon. Picasso, die met Eva in Avignon verbleef, nam op het station afscheid van beiden. Op 3 augustus verklaarde Duisland de oorlog aan Frankrijk. Na zijn aanmelding in Le Havre ging Braque naar Lyon voor een opleiding om een mitrailleur te bedienen. Op 14 november 1914 werd Braque aan het Sommefront geplaatst, waar in december zware gevechten werden gevoerd.

1915

Begin mei 1915 werd Braques regiment verplaatst en op 11 mei begon het gevecht om Neuville-Saint-Vaast. Hier raakte Braque zwaargewond aan zijn hoofd en bleef hij twee dagen in coma. Hij kwam in het ziekenhuis van Carency op zijn verjaardag weer bij kennis. Hij was daarna tijdelijk blind en Braque werd geopereerd om de druk in zijn hersenen te laten afnemen. Om te herstellen werd Braque overgebracht naar Hôtel Meurice te Parijs, waar Marcelle in gezelschap van Picasso hem in juni voor het eerst terugzag. In juli 1916 was Braque zodanig hersteld, dat hij weer dienst moest doen bij een militaire opleiding in Bernay.

Op 24 november 1916 sloot Braque een contract met Léonce Rosenberg, waarbij Rosenberg een eerste keus had en minstens voor 1000 francs per maand zou afnemen. Op 1 januari 1917 woonde Braque het banket ter ere van Apollinair bij en op 14 januari was hij zelf het middelpunt. Les admirateurs du peintre Braque, het organisatiecomité bestaand uit Guillaume Apollinaire, Juan Gris, Max Jacob, Pierre Reverdy, Paul Dermée, Walther Halvorsen, Jean Metzinger, Matisse, Picasso, en Marie Vassilieff, nodigden 35 personen à 6 francs per persoon uit. Het feest werd gehouden in het atelier van Marie Vassilieff, dat in verband met de oorlog als kantine was ingericht. Van 5 t/m 31 maart 1917 had Braque een tentoonstelling bij Léonce Rosenberg in de Galerie de l'Effort Moderne.

In maart 1917 werd Braque wegens zijn gezondheid op zijn verzoek voor actieve dienst afgekeurd en ging hij samen met Marcelle naar Sorgues. Daar probeerde hij weer te schilderen. Mentale ondersteuning kreeg hij van de dichter Pierre Reverdy, die samen met zijn vrouw Henriette dichtbij een huis in Sorgues betrokken. In samenwerking met Reverdy schreef Braque het artikel Pénsées et réflexions sur la peinture (=Gedachten en bespiegelingen over het schilderen), dat verscheen in nummer 10 van het tijdschrift Nord-Sud.

Braque bezocht samen met Walter Halvorsen Rome in 1925 en in 1931 Venetië en Florence. In 1933 en 1934 bezochten Braque en Marcelle Engeland, waar zij werden rondgereden door Ben Nicholson. In 1936 bracht Braque een bezoek aan Duitsland, waar hij slechte herinneringen aan overhield, daar hij constant in de gaten werd gehouden door de politie.

Op 11 mei 1920 sloot Braque een nieuw contract met Kahnweiler. Zijn schilderijen lieten vanaf 1920 duidelijk een verandering van stijl zien, al bleef het gegrond op het kubisme. De strakke lijnen verdwenen bijna allemaal en in hun plaats kwamen de gebogen lijnen. Ook werden de vormen beter herkenbaar. Tussen 1922 en 1925 werkte Braque in een neoklassieke stijl en kwam in zijn schilderijen de mens voor. Dit waren korfdraagsters en vruchten dragende vrouwen. Zij hadden een bijna klassiek figuur met toegevoegde borsten.

In 1924 sloot Braque een contract met Paul Rosenberg, een broer van Léonce Rosenberg. In 1929 schilderde hij een aantal stillevens, die een zeer sterke kubistische inslag hadden. Vooral de compositie deed sterk denken aan zijn werken van rond 1912. Na 1929 kwamen er geen kubistische werken meer, al kwam een min of meer kubistische vormgeving hier en daar nog wel in zijn schilderstukken voor. Ook in wandkleden kwam een kubistische inslag te voorschijn. Zie nevenstaand wandtapijt 'Stilleven' uit 1931.

Braque had heel zijn leven een zeer persoonlijke stijl en bleef hij los staan van welke schilderrichting dan ook. In 1947 kon Braque enige tijd niet schilderen door een zware longontstekig. Het Museum of Modern Art in New York organiseerde een retrospectieve expositie in 1949. In 1952 en 1953 beschilderde Braque op verzoek van Georges Salles, directeur van de Musées de France het plafond van de Salle des Etrusques en de Salle Henri II in het Louvre. In 1954 gaf Braque een uitvoerig interview aan de schrijfster Dora Vallier, dat kwam te staan in het tijdschrift Cahiers d'Art.

0p 31 augustus 1963 overleed Braque in zijn woning te Parijs na een ziekte van enkele maanden. Braque kreeg een staatsbegrafenis, bestaande uit een herdenking in de Cour Carrée van het Louvre op 3 september met een toespraak van André Malraux, de Minister voor Culturele Zaken, en een begravenis op het kerkhof van Varengeville op 4 september(bij Diepe). Braque bezat in dit dorp sinds 1929 een buitengoed, waar hij dikwijls verbleef.

Tentoonstellingen

Van 16 oktober 1973 t/m 14 januari 1974 was een retrospectieve expositie van Braque in de Orangerie des Tuileries te Parijs. Ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Braque werd van 17 juni t/m 27 september 1982 de expositie Hommage à George Braque in het Musée National d'Art Moderne gehouden.


Zie ook de webpagina's: Ateliers van Georges Braque,
Marcelle Braque-Lapré.

Tik op een nevenstaande knop voor werken van Braque. tot 1910 1910-1911 1912-1918 vanaf 1919